Hoe is de fiscale relatie tussen de federale overheid en de deelstaten georganiseerd?

In België hangen de gemeenschappen en de gewesten voor hun financiering in sterke mate af van dotaties van de federale overheid. De middelen die vanuit de personenbelasting aan de deelstaten worden doorgestort, zijn gebaseerd op een basisbedrag dat gekoppeld wordt aan de evolutie van de prijs-index en aan de reële bbp-groei. In 2007 waren de dotaties goed voor 68,76 procent van de inkomsten van de deelstaten, of 47,35 miljard euro. Slechts 16,75 procent van de inkomsten kwam van eigen (para)fiscale ontvangsten. De lagere overheden halen bijvoorbeeld met 34 procen...

In België hangen de gemeenschappen en de gewesten voor hun financiering in sterke mate af van dotaties van de federale overheid. De middelen die vanuit de personenbelasting aan de deelstaten worden doorgestort, zijn gebaseerd op een basisbedrag dat gekoppeld wordt aan de evolutie van de prijs-index en aan de reële bbp-groei. In 2007 waren de dotaties goed voor 68,76 procent van de inkomsten van de deelstaten, of 47,35 miljard euro. Slechts 16,75 procent van de inkomsten kwam van eigen (para)fiscale ontvangsten. De lagere overheden halen bijvoorbeeld met 34 procent een veel groter aandeel van hun inkomsten uit eigen fiscale middelen. Die dotatiefinanciering leidt tot 'consumptiefederalisme': de federale overheid betaalt, de deelstaten geven uit. Het stelsel kent ook een inkomensval. Deelstaten waar de opbrengsten uit de personenbelasting lager liggen dan het nationale gemiddelde (dat zijn Wallonië en Brussel) krijgen extra middelen via een solidariteitsmechanisme. Als Wallonië en Brussel het economisch beter doen, en dus meer bijdragen tot de personenbelasting, dalen door de financieringswet hun budgettaire middelen. De extra middelen dankzij de hogere economische groei liggen immers lager dan wat ze verliezen door het solidariteitsmechanisme, dat op zo'n moment omgekeerd werkt. Een voorbeeld: een stijging van de Waalse inkomsten uit de personenbelasting met 100 euro doet de Waalse overheidsmiddelen dalen met 16 euro. Er is dus geen incentive om een efficiënt economisch beleid te voeren. Het Canadese stelsel van gedeelde belastingen kan een oplossing zijn. Daar is zowel de grondslag als het belastingtarief in de personenbelasting gelijk voor het hele grondgebied. Een deel van de opbrengsten wordt verdeeld over de regio's op basis van de plaats waar de belastingen geheven worden. Solidariteitsmechanismen zorgen ervoor dat rijke regio's armere ondersteunen. Volgens de Leuvense econoom Koen Algoed is dit model zeker toepasbaar in België. 27 procent van de federaal geïnde personenbelasting zou dan verdeeld worden over de gewesten naargelang waar ze geïnd werd. Dit zou regio's ertoe aanzetten een goed beleid te voeren, want hoe meer werkgelegenheid, hoe hoger de fiscale capaciteit en hoe groter het deel van de koek dat ze krijgen. Tegelijk zou ook de vennootschapsbelasting kunnen worden aangepast. Een interessant scenario bestaat erin dat er een beperkt federaal tarief van 20 procent komt, en dat de gewesten daarbovenop een regionaal tarief kunnen heffen. Regio's zouden dan lagere tarieven kunnen hanteren om bedrijven aan te trekken. Om te vermijden dat bedrijven alleen hun vestigingsplaats verplaatsen naar de regio met het laagste tarief, moeten wel criteria worden ingebouwd zoals de plaats van de verschillende productievestigingen en waar de winst concreet gegenereerd wordt. (T) Door Alain Mouton