JONATHAN ROSENTHAL
...

JONATHAN ROSENTHALBankiers weten maar al te goed dat geld geen liefde koopt. Al vormen voldoende centen enige compensatie voor snuggere lui die ontiegelijk veel uren kloppen. In de loop van 2012 verandert het leven van heel wat bankiers. Ze worden nog altijd gehaat door de politici en het brede publiek. Ze werken nog altijd even hard en zijn gemiddeld nog even snugger als voorheen. Maar ze worden wel aanzienlijk armer. Dit wordt het jaar waarin de meeste bankiers voor het eerst in vier jaar moeten toestaan dat aan hun bezoldiging geraakt wordt. De bezoldiging van de bankiers was opmerkelijk slagvast. In 2010 bereikte de totale verloning die door firma's op Wall Street uitbetaald werd, na twee jaar gestage toename, het recordbedrag van 135 miljard dollar. Het dipje na de instorting van Lehman Brothers duurde niet lang. De lonen op Wall Street bereikten al in 2009 opnieuw het niveau van voor de crisis. In Europa was die slagvastheid nog opmerkelijker, zeker als we kijken naar de gezamenlijke inspanningen die regelgevers en politici leverden om ze aan banden te leggen. In Groot-Brittannië voerde de regering in 2010 een taks op bankbonussen in en zette ze de firma's onder druk om die in 2011 af te bouwen. Het belangrijkste effect was dat er een verschuiving in de bezoldiging plaatsvond tussen de normale lonen en de prestatiegebonden bonussen. Laatstgenoemde gingen er in 2011 wel met 8 procent op achteruit, maar het gemiddelde loon steeg met 7 procent. Elders gingen de lonen zelfs in een sneller tempo omhoog. Bankiers zeggen dat op sommige Aziatische markten de lonen tot een kwart per jaar stijgen. Waarom zou 2012 het jaar moeten zijn waarin de loontrein achteruitrijdt? Daarvoor zijn er twee belangrijke redenen: de economische terugval in de rijke landen en een grondige verandering op de bankmarkten, die ze waarschijnlijk voor vele jaren aanzienlijk minder winstgevend maakt. In 2008 voorspelden velen een scherpe daling van de rentabiliteit van de banken en een scherpe daling van het personeel. Het tegenovergestelde deed zich voor nadat de centrale banken de officiële intrestvoeten drastisch hadden verlaagd, wat leidde tot een boom op de obligatie- en wisselmarkten. In plaats van af te slanken, begonnen vele banken verwoed aan te werven. Gelijktijdig werden ook de lonen omhooggeduwd onder invloed van de expansie van de financiële instellingen naar gevestigde markten. De Britse Barclays-bank kocht de Amerikaanse activiteiten van Lehman. Het Japanse Nomura deed hetzelfde met de Europese operaties. In beide gevallen gingen de overnemers forse lonen betalen om sleutelpersoneel te behouden of aan te trekken. Tegen 2011 was de boom een 'bust'. De moeilijkheden in Europa en de zowat overal afremmende economieën ontnamen de ondernemingen de moed om obligaties of aandelen te verkopen en investeerders om ze te verhandelen. De industrie wordt ook geconfronteerd met structurele veranderingen. Vanaf 1 januari 2012 moeten de banken overal in de wereld aanzienlijk meer kapitaal tegenover de activa zetten. De nieuwe regels, die bekendstaan als Bazel 2.5, maken een groot deel van hun tradingactiviteiten onrendabel. De consultant McKinsey schat dat het gemiddelde rendement van de grootste investeringsbanken van de wereld met een vijfde daalt tot 7 procent, tenzij de banken maatregelen nemen om de impact van de nieuwe regels te verzachten: minder personeel en minder loon. De logica is onverbiddelijk. Werknemers brengen bij de grote investeringsbanken doorgaans 40 tot 60 procent van de inkomsten aan. Tijdens het voorbije jaar zijn de opbrengsten geslonken omdat vele banken opgezadeld zaten met zware uitgaven. Hoewel de afslanking snel en brutaal doorgevoerd wordt, grijpt ze toch niet over de hele linie plaats. De allerbeste bankiers kunnen nog altijd een buitensporig aandeel opeisen van de inkomsten die ze voor de bank binnenbrengen, maar het gros van de bedienden ziet zijn loon scherp dalen. JONATHAN ROSENTHAL De auteur is redacteur voor de banksector van The Economist. Het gros van de bedienden ziet zijn loon scherp dalen.