Welke landen trekken hun pensioenleeftijd op?

Van onze drie buurlanden ging Duitsland voorlopig het verst. Tegen 2035 wordt de pensioenleeftijd opgetrokken van 65 naar 67 jaar. In de praktijk betekent dit dat elke Duitser die later dan 1964 geboren is tot zijn 67ste moet werken. Bij onze belangrijkste handelspartner is momenteel nog slechts 40 % van de 55-plussers aan de slag. In Frankrijk ligt de officiële pensioenleeftijd op 60 jaar. In Nederland woedde de discussie over een verhoging van de pensioenleeftijd lange tijd, maar de lont lijkt nu - voor even - uit het kruitvat. Sommige partijen wilden de pensioengrens optrekken tot 67 jaar....

Van onze drie buurlanden ging Duitsland voorlopig het verst. Tegen 2035 wordt de pensioenleeftijd opgetrokken van 65 naar 67 jaar. In de praktijk betekent dit dat elke Duitser die later dan 1964 geboren is tot zijn 67ste moet werken. Bij onze belangrijkste handelspartner is momenteel nog slechts 40 % van de 55-plussers aan de slag. In Frankrijk ligt de officiële pensioenleeftijd op 60 jaar. In Nederland woedde de discussie over een verhoging van de pensioenleeftijd lange tijd, maar de lont lijkt nu - voor even - uit het kruitvat. Sommige partijen wilden de pensioengrens optrekken tot 67 jaar. Nu heeft de centrumlinkse coalitie toch beslist om de pensioenleeftijd van 65 jaar te behouden, maar wie langer werkt, krijgt een bonus van 5 % per jaar. Het verzet tegen een verhoging van de pensioenleeftijd verschilt van land tot land en hangt af van de reacties van de vakbonden. In Frankrijk bestaat er op dat vlak veel meer weerstand dan in Duitsland. Bij onze zuiderburen liggen er plannen op tafel om de minimumloopbaan voor ambtenaren die een volwaardig pensioen willen, op te trekken van 37,5 tot 40 jaar. De loopbaanduur voor werknemers zou in 2012 worden opgetrokken tot 41 jaar. Dat ligt bij de vakbonden zeer gevoelig. Nadat Frankrijk eind vorig jaar geteisterd werd door sociale onrust gingen de vakbonden en de regering samenzitten. De onderhandelingen zijn nog aan de gang. Frankrijk en Duitsland kijken ook op een andere manier naar het vergrijzingsprobleem. De demografische evolutie bij onze zuiderburen oogt bijvoorbeeld rooskleu- riger. De Franse fertiliteitsratio bedraagt gemiddeld twee kinderen per vrouw, na IJsland het tweede hoogste cijfer in Europa. De Duitse ratio bedraagt 1,36 kinderen per vrouw. Bij ons blijft het opvallend stil. Over het optrekken van de minimumpensioenleeftijd wordt niet gepraat. Ook het Generatiepact van eind 2005 heeft daar niets aan veranderd. De officiële Belgische pensioenleeftijd bedraagt 65 jaar voor mannen en 63 jaar voor vrouwen. In 2010 wordt de pensioenleeftijd voor vrouwen op 65 jaar gezet. De leeftijdsgrens op 67 jaar brengen, heeft nog niemand gevraagd. De discussie heeft weinig zin als er maar weinig mensen zijn die de arbeidsmarkt daadwerkelijk op die leeftijd verlaten. Het is nuttiger te kijken naar de werkelijke of feitelijke pensioenleeftijd. Die bedraagt in België 58 jaar en is daarmee een van de laagste in de EU. Maatregelen om daaraan iets te veranderen, zijn er nog niet. Zelfs met het Generatiepact blijft vervroegd pensioen vanaf 60 jaar en brugpensioen vanaf 58 mogelijk. Langer werken wordt wel beperkt beloond (één jaar werken na 62 betekent een maandelijks extra pensioen van 52 euro), maar het effect daarvan is verwaarloosbaar. België heeft volgens experts ook nood aan een malussysteem dat vervroegde uittreding financieel bestraft. Zo hanteert Duitsland een bonus van 6 % voor wie langer werkt en een malus van 3,6 % per jaar voor wie vroeger stopt (met een maximum van 10,8 %). (T)Door Alain Mouton