De uppercuts bij de grote investeringsbanken zijn de absolute 'talk of the town' in Wall Street. Vorige week woonde ik een lunch bij van het Cato-instituut, een sympathieke libertaire organisatie die strijdt tegen te veel overheid en te veel regulering. Plek van de bijeenkomst was het Waldorf Astoria hotel en de lunch kostte maar liefst 700 dollar (500 euro). Een duur kippetje. Gelukkig krijgt een buitenlands correspondent een 'free lunch'. Ik zat naast een investment banker en de gevoelige snaar was snel gevonden.
...

De uppercuts bij de grote investeringsbanken zijn de absolute 'talk of the town' in Wall Street. Vorige week woonde ik een lunch bij van het Cato-instituut, een sympathieke libertaire organisatie die strijdt tegen te veel overheid en te veel regulering. Plek van de bijeenkomst was het Waldorf Astoria hotel en de lunch kostte maar liefst 700 dollar (500 euro). Een duur kippetje. Gelukkig krijgt een buitenlands correspondent een 'free lunch'. Ik zat naast een investment banker en de gevoelige snaar was snel gevonden. Enkele dagen tevoren maakten grote investeringsbanken hun afschrijvingen bekend wegens verliezen in de onroerendgoedsector. Ze zitten opgescheept met gebundelde hypotheekleningen die werden verhandeld als zaakgerelateerde schuldbewijzen (CDO's). Aanvankelijk was dat een lucratieve business totdat de rente steeg en veel kopers hun hypotheken niet meer konden betalen. De schuldbewijzen bleken overgewaardeerd en de handel zakte als een pudding in elkaar. De Bank of America schreef 1,6 miljard dollar af, Morgen Stanley 2,4 miljard, de Deutsche Bank 3,1 en de Citigroup 3,5. "Dat zijn flinke klappen'', zei ik zo schertsend tegen de bankier. Hij lachte een beetje wrang en zei: "Dat is nog niet alles, pas maar op''. Mij leken afschrijvingen van 3 miljard dollar al een flinke som. Over corporate governance gesproken. De volgende dag kwam het klapstuk. Merill Lynch deed een afschrijving van maar liefst 8,4 miljard dollar, dat is 13,7 % van haar kapitaal. Het was een mokerslag die de bankwereld deed beven en tegelijk het begin van een nieuw leerstuk: corporate responsability. De slag luidde het einde in van Merill Lynchtopman Stan O'Neal, mede omdat hij de pijn probeerde te verzachten via een snelle fusie met de bank Wachovia. Hij zocht Wachovia aan zonder toestemming van het bestuur van Merill Lynch. De solotour was begrijpelijk want hij wist dat een afschrijving van 8,4 miljard dollar alle voorstellingen zou tarten. O'Neal is het eerste slachtoffer van de kredietcrisis en waarschijnlijk niet de laatste. Bij Citibank komt de positie van topman Charles Prince onder druk. Enkele kopstukken in de subtop van de investeringsbank hebben het veld al moeten ruimen. Bij Bear Stearns komt topman James Cayne in nauwe schoentjes. Hij bleek tijdens de kredietcrisis vooral op de golfbaan te vertoeven, zonder gsm of blackberry. Hij verscheen ook maar tien dagen per maand op kantoor. Het was niet verwonderlijk dat Cayne de draad kwijt was. Het verhaal van O'Neal was bijna de perfecte Amerikaanse droom. Hij groeide als zwarte jongen op in het Alabama van de rassenscheiding. Zijn grootvader was slaaf in het diepe zuiden van de VS. Het gezin was bitter arm en leed onder de feitelijke apartheidspolitiek in die dagen. Toen hij 13 was, verhuisde hij met zijn vader naar Atlanta, de hoofdstad van Georgia, om er bij General Motors te werken. Zelf stond de jonge Stan ook aan de lopende band. Via het bedrijf kreeg hij opleidingsmogelijkheden en hij slaagde uiteindelijk voor Harvard Business School. In 1986 begon Stan bij Merill Lynch. Een perfecte emancipatie. Hij kwam aan de top van het bedrijf en maakte het tot één van de meest succesvolle en agressieve risiconemers van Wall Street. Wie zou denken dat de eerste zwarte aan de top van de financiële wereld garant zou staan voor een sociaal beleid, komt bedrogen uit. Toen in september 2001, na de aanslagen, de financiële wereld in ademnood kwam, schrok hij er niet voor terug 24.000 mensen te ontslaan. Ook was hij bikkelhard in de machtsstrijd. O'Neal trok alle macht naar zich toe en verenigde bijna alle topfuncties. Even- tuele rivalen, onder wie oude getrouwe vrienden, werden zonder pardon ontslagen. Zolang Stan grote winsten maakte, ging alles goed. Hij stapte grootscheeps in de CDO's en nam volop risico's. Dit ging uiteindelijk mis. Hij vertrok, maar kreeg een afscheidspakket van 160 miljoen dollar (114 miljoen euro). De financiële wereld is toe aan 'corporate responsability': topleiders die falen, moeten gaan met een navenante afscheidspremie. Het probleem is vaak dat die premie in geen enkele verhouding staat tot de prestatie, in casu de wanprestatie. Zo kreeg Rijkman Groenink, topman van ABN Amro, een afscheidspakket van 20 miljoen euro nadat hij zijn eigen bank naar de slachtbank had geleid. Hoewel het afscheidspakket zijn voornaam alle eer aandoet, staat het in geen verhouding tot zijn falen. In feite wordt de mislukking beloond. Groenink is altijd een matige bankier geweest. Iedereen herinnert zich hoe hij miskleunde bij de overnamepoging van de Generale tien jaar geleden. Daarna zakte de winstgevendheid van ABN Amro zo ver terug dat een vijandige overname een kwestie van tijd werd. Vervolgens ging de fusie met Barclays mis. Een straf van 20 miljoen euro zou beter op zijn plaats zijn geweest voor deze 'rijke man' Groenink. Het kapitalisme heeft een zelfzuiverend vermogen nodig, anders wordt het altijd geassocieerd met geldgraaien. Falende bankiers moeten de laan worden uitgestuurd zoals falende ministers, en het afscheidspakket mag niet buitensporig zijn. De eerste stap is gezet, de tweede nog niet. Derk Jan Eppink is schrijver en columnist. Hij woont en werkt in de Verenigde staten.Derk Jan Eppink