De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Voor de toepassing van de BTW is het van essentieel belang te weten waar een levering van goederen of een dienstverrichting gebeurt. Van Belgische BTW kan alleen maar sprake zijn als de levering of de dienst in België plaatsvindt. Wat dienstverrichtingen betreft, gelden uiteenlopende criteria om uit te maken waar ze plaatsvinden. Soms is dat op de plaats waar de dienstverrichter gevestigd is, soms op de plaats waar de dienst materieel wordt verricht, soms op de plaats waar de afnemer (de opdrachtgever) van de dienst gevestigd is enzovoort. Een ingewikkelde aangelegenheid dus. En die wordt nog ingewikkelder als men bedenkt dat binnen eenzelfde categorie van handelingen soms nog een onderscheid wordt gemaakt. Verhuur. Neem bijvoorbeeld de dienst die bestaat uit de verhuur van roerende goederen. Normaal zou men verwachten dat alle prestaties van verhuur van dergelijke goederen op dezelfde manier gelokaliseerd worden. Maar dat is dus niet het geval. De BTW-reglementering maakt een onderscheid naargelang het gaat om de verhuur van vervoermiddelen (auto's, vrachtwagens...), dan wel om de verhuur van andere roerende goederen (kasten, stoelen...). De twee types van verhuur zijn aan andere lokalisatiecriteria onderworpen. Wie wil weten waar een verhuur geacht moet worden plaats te vinden, moet dus om te beginnen weten of hij te maken heeft met een vervoermiddel dan wel met een ander roerend goed. Meestal rijzen hierbij weinig of geen problemen. Iedereen is het erover eens dat een fiets, een auto, een tractor en een mobilhome vervoermiddelen zijn. Maar wat doe je met een container? Containers worden (meestal) wel gebruikt om goederen te vervoeren. Maar moeten ze daarom ook als vervoermiddelen worden beschouwd? Daarover lopen de meningen uiteen. In Frankrijk bijvoorbeeld heeft men altijd gevonden dat containers geen vervoermiddelen zijn. Maar de Belgische BTW-administratie is er in het verleden altijd van uitgegaan dat containers wel vervoermiddelen zijn. Althans tot voor kort. Onlangs heeft zij immers laten weten dat containers (die worden gebruikt om goederen te vervoeren) geen vervoermiddelen zijn, en dat ze dus voor de toepassing van de BTW gewoon als andere roerende goederen aan te merken zijn. Onderdak. Maar daarmee zijn de BTW-problemen niet van de baan. Containers worden immers niet alleen gebruikt om goederen te vervoeren. Soms gebruikt men ze ook om tijdelijke plaatsproblemen op te lossen. Op veel bouwwerven worden containers (in speciaal daartoe aangepaste vorm) als kantoorruimte voor architecten en ingenieurs gebruikt. Ook in veel scholen of bedrijven worden containers of prefabgebouwtjes gebruikt om tijdelijk onderdak te bieden. En ook hier zorgen ze op het gebied van de BTW voor de nodige problemen. Uiteraard is de vraag hier niet of ze wel of niet als vervoermiddelen kunnen worden beschouwd. Dat zijn ze duidelijk niet. De vraag is hier of ze voor de toepassing van de BTW als roerende dan wel als onroerende goederen in aanmerking te nemen zijn. De verhuur van onroerende goederen is namelijk vrijgesteld van BTW. De verhuur van roerende goederen is dat niet. Voor een school bijvoorbeeld scheelt dat een flinke slok op de borrel. Zij kan de aangerekende BTW normaal gezien niet recupereren. Als een school een container of prefabgebouwtje huurt, heeft zij er dan ook alle belang bij dat de huur vrij van BTW kan blijven. Dit kan - zoals gezegd - als de gehuurde goederen als onroerend kunnen worden beschouwd. Het verschil tussen roerend en onroerend is meestal vrij duidelijk. Een huis is onroerend. En een tafel is (meestal) roerend. Maar wat doe je met containers of prefabgebouwtjes die bijvoorbeeld geplaatst worden op een fundering van in de grond ingelijfde betonblokken, en die van de nodige nutsvoorzieningen (water, elektriciteit...) worden voorzien? Zijn dat nog roerende goederen, of moeten ze als uit hun aard onroerende goederen worden aangemerkt? Rechtspraak. Alles hangt af van de feitelijke omstandigheden. Maar het Europees Hof van Justitie heeft onlangs bevestigd dat vooral gekeken moet worden naar het feit of de constructies makkelijk verplaatsbaar zijn. In casu ging het om prefabgebouwen die vast met de grond verbonden waren (de muren waren met schroefbouten vastgemaakt op in de grond aangebrachte betonnen funderingen). De gebouwen waren weliswaar demonteerbaar. Maar ze waren niet makkelijk verplaatsbaar. Er waren immers tientallen mandagen werk nodig om ze uiteen te halen. In die omstandigheden moeten de constructies volgens het Hof als onroerend worden aangemerkt, en is de verhuur dus vrij van BTW (arrest van 16 januari 2003). De rechtbank van eerste aanleg in Antwerpen kreeg op haar beurt onlangs het geval te beoordelen van de verhuur van modulaire containers die als klaslokaal moesten dienen. Zij besliste ook dat het in de gegeven omstandigheden om uit hun aard onroerende goederen ging; en dat de verhuur dus vrij bleef van BTW. Dit, onder meer, gezien de manier waarop de constructies met de grond verbonden waren, de aansluiting op de nutsvoorzieningen enzovoort (vonnis van 15 januari 2003). Nogmaals, alles hangt af van de concrete omstandigheden. Maar zeg dus niet te vlug dat alles wat demonteerbaar of verplaatsbaar is ook als roerend moet worden beschouwd. Jan Van DyckContainers moeten soms als 'onroerende' goederen worden beschouwd.