Vorige week zei Vlaams minister Luc Van den Bossche (SP) dat de verlaging van de arbeidskosten een federale materie is en hij ging daarmee regelrecht in tegen "zijn" minister-president Luc Van den Brande (CVP).
...

Vorige week zei Vlaams minister Luc Van den Bossche (SP) dat de verlaging van de arbeidskosten een federale materie is en hij ging daarmee regelrecht in tegen "zijn" minister-president Luc Van den Brande (CVP). Op het eerste gezicht is Van den Bossches uitlating niet zo verwonderlijk. Als Luc Van den Brande op de begroting '98 een "substantieel" bedrag wil vrijmaken voor lastenverlaging, dan is het eerste slachtoffer daarvan Onderwijsminister Luc Van den Bossche, die met een budget van pakweg 240 miljard frank de voornaamste Vlaamse bevoegdheid in handen heeft.Maar er is meer. Van den Brande mag dan al minister-president zijn, de spilfiguren van de Vlaamse regering zijn Van den Bossche en Wivina Demeester (CVP). En die twee die het uitstekend met elkaar kunnen vinden laten niet graag op hun kop zitten. Met zijn pleidooi voor een federaal loonkostenbeleid doet Van den Bossche afbreuk aan zijn Vlaams imago. Maar hij maakte dat enkele dagen later als minister van Ambtenarenzaken goed door te pleiten voor een eigen rekruteringsbureau voor Vlaamse ambtenaren. De 49-jarige Gentenaar en doctor in de rechten Luc Van den Bossche heeft zich ontpopt tot een technocratische stormram. Velen joeg hij tegen zich in het harnas : onderwijsvakbonden, Limburgers, kinesitherapiedocenten en -studenten, het kunstonderwijs, VTM... Zelfs partijgenoten die het met hem oneens zijn, blaft hij vakkundig af. Niet dat hij ondoordacht zou zijn. Van den Bossche heeft veel grondiger dan zijn federale collega's en partijgenoten Louis Tobback en Johan Vande Lanotte het ambtelijk apparaat gemoderniseerd. Zware dossiers zoals de schaalvergroting in het hoger onderwijs en de eindtermen bracht hij tot een goed einde, wat vooral te danken is aan zijn intellectuele werkkracht en dossierkennis. Dat hij zo vierkantig overkomt, wijt hij aan de pers. Die is zo gecommercialiseerd dat een politicus geen kans krijgt een erg technische materie eerlijk uit te leggen. Ietwat verschanst in Brussel, verbeidt Van den Bossche zich in zijn invloedrijke post. Hij lijkt te vergeten dat hij ook nog aan politiek moet doen in Gent. Sinds '88 is hij voorzitter van de SP-federatie Gent-Eeklo en smeedde toen mee de paarse SP-VLD-coalitie in de Oost-Vlaamse hoofdstad. Maar tegenwoordig is de rek eruit. "Op vergaderingen komt hij vaak te laat," zegt een ingewijde. "Op belangrijke posten plaatst hij trouwe luitenanten, maar voor de rest trekt hij het zich eigenlijk niet aan." De SP-federatie Gent-Eeklo, eens een socialistisch bastion dat gemakkelijk 30-40 % van de stemmen haalde, was in mei '95 weggeteerd tot een magere 16,5 % bij de verkiezingen van zowel Vlaamse Raad als Kamer.De overwinning van het Vlaams Blok en zijn persoonlijke nederlaag op de verkiezingen van Zwarte Zondag 24 november '91 verklaren veel van zijn uitgebluste zin voor politiek veldwerk. Zijn persoonlijk debacle was des te pijnlijker omdat hij zich, geheel tegen zijn aard in, had laten verleiden tot een wereldse reclamecampagne onder het motto Mini-ster Maxi-durf. Enkele SP-bonzen hebben hem toen moeten overtuigen om toch verder te doen. Van den Bossche is geen stamboomsocialist, en zou dat ook niet willen zijn. Zijn ouders waren Volksunie-sympathisanten uit Aalst en hij liep in de jaren zestig school in het Gentse Sint-Lievenscollege waar hij zelfs even misdienaar was. Toch groeide hij in zijn collegetijd uit tot een rebels figuur die tijdens zijn rechtenstudie aan de Gentse universiteit snel in de linkse studentengroeperingen terechtkomt. Hij maakte de mei '68-revolte mee, maar "hij hield zich eerder op de achtergrond, heeft nooit betoogd en is nooit de bak ingevlogen", zegt een medestudent. Hij brengt het tot voorzitter van de belangrijke studentenvereniging VRG ( Vlaams Rechtsgenootschap), een springplank voor het voorzitterschap van het Faculteitenconvent in '70, het overkoepelende studentenorgaan in Gent. "Dat was de ideale tribune voor hem om de marxist uit te hangen," aldus dezelfde medestudent. "Hij meende dat niet echt, hij speelde dat." Na zijn studies wordt hij stagiair bij Piet Van Eeckhaut, de gewezen stafhouder van de Gentse balie. Van Eeckhaut zetelde in de Gentse gemeenteraad voor de toenmalige BSP ( Belgische Socialistische Partij) en was zeer links en Vlaamsgezind. In zijn zog is Van den Bossche meegegaan. Zo werd die laatste, toen hij van '74 tot '77 voorzitter was van de Jongsocialisten, bekend om zijn radicale tussenkomsten op ideologische congressen van de BSP. Van den Bossche was nationaal volksvertegenwoordiger van '81 tot '95 en is sindsdien Vlaams parlementslid. Vanaf '88 volgden de ministerposten elkaar op : van staatssecretaris voor Onderwijs (toen nog federale materie) tot Vlaams minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken vandaag, en tegelijk minister vice-president van de Vlaamse regering.Zijn marxistisch jargon heeft hij intussen allang afgezworen. Hij is een manager-socialist geworden. Hij toont zich allerminst de vijand van het katholiek onderwijs en looft zonder verpinken het beleid van zijn voorganger, wijlen CVP-minister Daniël Coens. "Van den Bossche en de secretaris-generaal van het Vlaams onderwijs Georges Monard, ex-kabinetschef van Coens en notoir CVP'er, zijn twee handen op één buik," verzekert een gewezen kabinetard van de Gentse SP-minister. En in een interview in '94 zegt Van den Bossche dat hij het altijd goed heeft kunnen vinden met Guy Verhofstadt. Binnen de SP voelt Van den Bossche zich meer verwant met de denker Norbert De Batselier dan met Louis Tobback, de man van de one-liners. Het verst staat hij af van Frank Vandenbroucke. "Dat is een verschrikkelijke betweter die zelden rechtuit praat," zegt hetzelfde gewezen kabinetslid. "Van den Bossche daarentegen heeft een brutale bek, is een machiavellist en een diplomaat tegelijk." Andere paradox : Van den Bossche is een levensgenieter en een workaholic die met 4 uur slaap ruim genoeg heeft. "Hij zei ons dat de werkuren liepen van 0 tot 24 uur, en dat was nauwelijks een boutade," zegt het ex-kabinetslid. "Op het kabinet moest 's avonds altijd iemand van wacht zijn. Hij belde wanneer je wegmocht. Dat kon evengoed om middernacht zijn. Woonde je in Limburg en had je geen trein meer, was dat jouw probleem. Was er 's anderendaags een vergadering om 8 uur in de ochtend, moest je wel op post zijn. Als minister had hij een chauffeur, wij niet. Dat vergat hij nogal eens." JOZEF VANGELDER