De studie over de financiering van Brussel die het Leuvense economische onderzoeksinstituut Vives vorige week bekendmaakte, bevat verschillende belangrijke elementen. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is Brussel bijvoorbeeld niet ondergefinancierd en krijgt het wel degelijk de middelen waar het recht op meent te hebben. Volgens de berekeningen van auteur Koen Algoed (KULeuven) ontving Brussel in 2007 een bijkomende federale financiering van 551,8 miljoen euro. Daarin zitten...

De studie over de financiering van Brussel die het Leuvense economische onderzoeksinstituut Vives vorige week bekendmaakte, bevat verschillende belangrijke elementen. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is Brussel bijvoorbeeld niet ondergefinancierd en krijgt het wel degelijk de middelen waar het recht op meent te hebben. Volgens de berekeningen van auteur Koen Algoed (KULeuven) ontving Brussel in 2007 een bijkomende federale financiering van 551,8 miljoen euro. Daarin zitten onder andere dotaties van de federale overheid met een solidariteitsbijdrage plus federale dotaties aan de Brusselse gemeenten en aan de gemeenschapscommissies die in Brussel onder andere bevoegdheden uitoefenen op het domein van onderwijs, gezondheidszorg en cultuur. Brussel krijgt dus voldoende geld om zijn lasten als hoofdstad te dragen. Bovendien zijn er ook lusten verbonden aan het statuut als hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa. Zo stelt Koen Algoed dat de pendelaars (358.550) geen concurrenten zijn voor de Brusselse werknemers, wel integendeel. Het zijn immers andere overheden dan de Brusselse die geïnvesteerd hebben in het menselijk kapitaal van de pendelaars via onder andere onderwijs. Bovendien zorgen die pendelaars voor 'overday spending'. Ook zijn de opbrengsten van de gewestbelastingen, die vaak gelieerd zijn aan vastgoed en de aanwezigheid van hoofdkwartieren van bedrijven, zeer hoog in Brussel. En er is meer: Brussel is vooral een diensteneconomie wier toegevoegde waarde veroorzaakt wordt door het gebruik van de andere twee gewesten. De tertiaire sector is goed voor 88 procent van het bbp, terwijl het Belgische gemiddelde 74,87 procent is. Bovendien is de tertiaire sector in Brussel relatief gespecialiseerd. Vier sectoren (post en telecom, financiële sector, overige zakelijke dienstverlening en openbaar bestuur) zijn goed voor 51 procent van de toegevoegde waarde van de dienstensector in Brussel. Ook de industrie in Brussel is gespecialiseerd met een sterke nadruk op bouwnijverheid en gas/elektriciteit. Dat verklaart het relatief kleine aandeel van Brussel in de export van goederen en diensten (amper 1,99 procent). Voor Algoed is het duidelijk: "Door de grote specialisatie in tertiaire activiteiten die de industrie in andere gewesten als basis hebben en door de doorgedreven specialisatie van de Brusselse economie blijkt indirect dat Brussel economisch sterk afhankelijk is van de rest van België." A.M.