De Brusselse regering blijft al maanden op dezelfde nagel kloppen: de hoofdstad heeft vijfhonderd miljoen euro extra nodig en snel. Anders kan ze de uitdagingen qua mobiliteit, infrastructuur en veiligheid, die eigen zijn aan een stad met een internationale uitstraling, niet langer waarmaken.
...

De Brusselse regering blijft al maanden op dezelfde nagel kloppen: de hoofdstad heeft vijfhonderd miljoen euro extra nodig en snel. Anders kan ze de uitdagingen qua mobiliteit, infrastructuur en veiligheid, die eigen zijn aan een stad met een internationale uitstraling, niet langer waarmaken. Maar is dat wel zo? Beschikt Brussel over te weinig middelen? Op het eerste gezicht zou je denken van wel. De stad is goed voor 20 % van het bbp en die welvaart wordt gecreëerd door de bijna 680.000 mensen die in Brussel werken. Maar meer dan de helft van hen zijn pendelaars. Een niet onbelangrijk deel van de Brusselse rijkdom verdwijnt dus naar Vlaanderen en Wallonië. De lusten voor wie niet in de hoofdstad woont, de lasten voor de hoofdstad zelf, is de vaak gehoorde jammerklacht in Brusselse regeringskringen. Dat is kort door de bocht. Wie alle cijfers op een rij zet, merkt dat Brussel wel degelijk profiteert van dat bijzondere statuut. Om te beginnen geniet Brussel in verhouding meer van de fiscale opbrengsten uit vastgoed dan de andere gewesten. Dat is zeker het geval sinds de Lambermontakkoorden van 2001 extra fiscale bevoegdheden naar de gewesten overhevelde zoals de registratierechten of schenkingsrechten. In de periode tussen 1989 en 2001 kwam 60 % van de inkomsten van het Brusselse gewest uit delen van de personenbelasting die werden overgeheveld. Dat is nu veel minder. In 2001 ontving Brussel 439 miljoen euro aan fiscale inkomsten of 27,7 % van het totaal. In 2005 waren de Brusselse fiscale inkomsten gestegen tot 1,124 miljard euro, meer dan de helft van de ontvangsten. Voor 2008 worden ze op 1,3 miljard euro geraamd. Hier zit voor Brussel wel een addertje onder het gras waarvan we op het eerste gezicht zouden kunnen denken dat het nadelig is. De hogere inkomsten uit gewestbelastingen brengen mee dat het gewest minder geld uit de personenbelasting overgeheveld krijgt - de zogenaamde 'negatieve term'. Dus zouden we kunnen denken dat het Brusselse gewest weinig voordeel haalt uit die extra fiscale bevoegdheden. Dat klopt niet. Met die compensatie valt het immers nog mee. De negatieve term groeit niet evenredig met de opbrengst van de gewestbelastingen. Hoe hoger die opbrengst, hoe meer winst voor de gewesten. Volgens cijfers van het kabinet van Guy Vanhengel, de Brusselse minister van Financiën en Begroting, hebben de nieuwe bevoegdheden ten gevolge van Lambermont, samen met een aantal andere inkomsten en na aftrek van de negatieve term, tot nog toe netto 150 miljoen euro opgebracht. Daarbij zitten leuke cadeautjes zoals 30 miljoen euro op jaarbasis omdat bijna alle Brusselse gemeenten een Vlaamse schepen hebben aangewezen. Een andere bonus is de solidariteitsbijdrage die er sinds 1997 voor zorgt dat Brussel, net als Wallonië, een compensatie krijgt voor haar dalende bijdrage tot de personenbelasting. In 1976 was Brussel nog goed voor 17,3 % van de bijdragen tot de personenbelasting. De verarming van de lokale bevolking heeft gemaakt dat het aandeel gedaald is tot zo'n 8,5 % van het totaal. De solidariteitsbijdrage voor Brussel wordt dit jaar op driehonderd miljoen euro geraamd. Dat bedrag stijgt omwille van de dalende fiscale capaciteit in Brussel. "En dat is zeer jammer", zegt Brussels staatssecretaris voor Ambtenarenzaken en Gelijke kansen Brigitte Grouwels (CD&V). "De middenklasse verlaat Brussel en dat tast de welvaart en de leefbaarheid van de stad aan. Een van de prioriteiten zou erin moeten bestaan om meer mensen met een middeninkomen in Brussel te houden en er- naartoe te lokken. Dan zouden we al minder een beroep moeten doen op die solidariteit. Ik deel de consensus binnen de Brusselse regering dat er investeringen nodig zijn die ten goede komen van het gewest. Maar wel voor de juiste projecten zoals betaalbare huisvesting en een aantrekkelijk mobiliteitsbeleid." Het geld uit Beliris, het samenwerkingsakkoord tussen Brussel en de federale regering, wordt volgens Grouwels niet altijd voor de juiste doeleinden gebruikt. De Belirispot bedraagt vandaag 125 miljoen euro op jaarbasis en dient ter ondersteuning van de hoofdstedelijke rol van Brussel. Met dat geld werd onder andere het Atomium gerestaureerd of het Navo-kruispunt heraangelegd. Maar vaak verdwijnt het geld in projecten als wijkrenovatie die weinig verband houden met de specifieke rol van Brussel. Zo ging Belirisgeld, 200.000 euro, naar de bouw van een kiosk op het Liedtsplein in Schaarbeek, die al ten prooi is gevallen aan vandalen. De aanwending van de middelen heeft veel weg van vriendjespolitiek. Laurette Onkelinx (PS) was tijdens de vorige regeerperiode de federale minister die de voogdij had over Beliris. Plots werden verschillende Belirisprojecten in haar thuishaven Schaarbeek gelanceerd. Toen Onkelinx in oktober 2006 de gemeenteraadsverkiezingen verloor, werden de projecten bevroren. Naast Beliris ontvangt Brussel nog meer 'zakgeld'. De federale financiering voor de hoofdstedelijke functie van de stad Brussel, als één van de 19 gemeenten van het gewest, bedraagt 93 miljoen euro op jaarbasis. Er is ook de extra financiering voor de politiezones - 25 miljoen euro. Dankzij de Lambermontakkoorden krijgen de Gemeenschapscommissies een bijzondere dotatie van 30 miljoen euro. Lange tijd bestond onduidelijkheid over het geld voor de Franse Gemeenschapscommissie of Cocof. Uiteindelijk bleek dat dit geld niet voor Brussel werd gebruikt, maar in de grote pot van de Franse Gemeenschap terechtkwam. Minister van Begroting Guy Vanhengel heeft zich daar lange tijd tegen verzet en kreeg vorig jaar gelijk toen de Franse Gemeenschap voor het eerst geld, 11 miljoen euro, terugstortte naar de Cocof. Voor critici tonen die voorbeelden aan dat Brussel geen gebrek aan middelen heeft, maar wel kampt met de transparante aanwending ervan en met inefficiënt beleid. De versnippering van de bevoegdheden over verschillende overheidsniveaus is daar niet vreemd aan. Ze fnuikt de economische ontwikkeling. Voor stedenbouwkundige vergunningen kent het Brusselse gewest één beslisser per 8 km2. In Wenen is er dat één per 450 km2. Coherentie is hier ver weg. Stedenbouwkundige detailplannen stoppen aan de gemeentegrenzen, die soms haaks staan op de sociaal-economische realiteit. Brigitte Grouwels: "Gemeentelijke bevoegdheden moeten van het gemeentelijke niveau naar het gewestniveau worden gebracht. Ik denk aan ruimtelijke ordening, mobiliteit en veiligheid. Er zijn al stappen in de goede richting gedaan zoals met de oprichting van één parkeeragentschap voor Brussel." (T) Door Alain Mouton