The Economist, absolute topklasse voor nieuws en duiding, is uitstekend in sciencefiction die in de werkelijkheid oren en poten krijgt. Bijna op de kop twintig jaar geleden verslikte de Generale Maatschappij van België zich in de pralines van Carlo de Benedetti, voor het in de zogenaamd reddende handen viel van Suez en werd uitgekleed tot op de naakte huid. De controle van GDF-Suez over de Belgische energie is daar vandaag een voelbaar en actueel gevolg van. Hét symbool van de economische en financiële macht en invloed van het Franstalige Belgische establishment bleek zo hol te zijn als een fluit en werd een protectoraat van Parijs met francofone onderkoningen.
...

The Economist, absolute topklasse voor nieuws en duiding, is uitstekend in sciencefiction die in de werkelijkheid oren en poten krijgt. Bijna op de kop twintig jaar geleden verslikte de Generale Maatschappij van België zich in de pralines van Carlo de Benedetti, voor het in de zogenaamd reddende handen viel van Suez en werd uitgekleed tot op de naakte huid. De controle van GDF-Suez over de Belgische energie is daar vandaag een voelbaar en actueel gevolg van. Hét symbool van de economische en financiële macht en invloed van het Franstalige Belgische establishment bleek zo hol te zijn als een fluit en werd een protectoraat van Parijs met francofone onderkoningen. In 1972 vierde de holding zijn 150ste verjaardag. Op 18 maart 1972 schreef The Economist een profetisch artikel: 'The Generale's charmed circle of friends'. De Generale was een oubollig, onverdedigbaar bolwerk met een raar en slaperig aandeelhouderschap en leiders die uit elkaar gespeeld werden door de patrons van dochters die zij dienden te controleren en te sturen. Wat niet gebeurde, zo analyseerde The Economist. De gouverneur (alleen de naam al) van de Generale Maatschappij was een nikkelen Nelis met de hovaardij van Herbert von Karajan. Tussen 1972 en 1987 verliepen 15 jaar. Tussen de nieuwste aankondiging door The Economist over de omkanteling van België en de slotscène zal geen anderhalf decennium verlopen. Wat burgemeesters van Brussel gaarne vergeten, wat woordvoerders van het Verbond van Ondernemingen te Brussel evenzeer gaarne vergeten, wat Charles Piqcué zich zelfs niet kan inbeelden, of zij doen toch allemaal alsof, is dat de hoofdstad in Vlaanderen zeer zeer zeer weinig vrienden telt. Die tegenstelling bestaat tussen elke hoofdstad en haar landgenoten die het privilegie missen om in dat oord van macht, kunsten en voortreffelijkheid te wonen. De polarisering is in België - waar 'la capitale' zich als derde gewest stelselmatig, in tandem met het gewest Wallonië, keert tegen de meerderheid van de Belgen - dieper en meer onoplosbaar dan in Frankrijk waar de tweedeling tussen Parijs en 'le désert français' (de rest van Frankrijk) sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw is afgezwakt door vormen van regionalisering. De afkeer van de overgrote meerderheid van de Vlamingen ten aanzien van Brussel is de grootste zwakte van hen die tegen de wijze raad in van The Economist verder sleuren en trekken om het onvermijdelijke weg te toveren. Er zijn Vlamingen in de hoofdstad, verdienstelijke Vlamingen, Vlaamse Brusselaars, cultuur-Vlamingen, gesubsidieerde Vlamingen, professoren-Vlamingen, francofiele Vlamingen, flamingantische Vlamingen. Vele soorten en maten, echter buiten hun mondigheid die hen in de kranten brengt met vrije tribunes, steken zij voornamelijk af door hun geringe en slinkende aantal. De Franstalige Brusselaars kan dat niet deren. Hoe minder stemgerechtigde Vlamingen hoe meer zij Brussel uitbouwen tot de noordelijkste stad van Francofonië - Frankrijk en Franstalig België. De bloedhekel van 90 % van de Vlamingen voor Brussel is onomkeerbaar. Met de Generale Maatschappij van België was het in 1987 - toen het eindspel op het toneel kwam - geen zier beter. Tot aan de top van de holding was er verbazing en verontwaardiging over de juichende commentaren in de Vlaamse publieke opinie over de raid van Carlo de Benedetti. De knechten zagen de Franstalige heren wankelen. Men begreep er niks van in de Rue Royale. Wie het wel begreep en wist dat hij twintig jaar te laat kwam, was de vandaag onvervangbaar aanwezige Steve Davignon. De ex-EU-commissaris begon medio jaren tachtig als vice-gouverneur met de onmogelijke taak om de Generale te moderniseren en open te stellen voor de meerderheid van de Belgen. In de leiding, de raad van bestuur, de aandeelhoudersgroepen was Vlaanderen onbestaande, veronachtzaamd, uitgesloten. Dat beeld van de holding werd weerspiegeld in de leiding en bij het kaderpersoneel van de dochters. Toen en nu verdienden Tractebel en Electrabel hun grootste omzet en winst in het noorden van België. Dat werd helemaal niet gereflecteerd door een redelijke, zichtbare aanwezigheid van Vlaams talent in de hogere gelederen. De Vlaamse negers waren wit, hun positie onder het Generalekapitalisme was amper beter dan die van zwarten in de Amerikaanse Deep South. Steve Davignon organiseerde een kleine Vlaamse club met Paul de Keersmaeker en Bob Stouthuysen om in Vlaanderen alsnog steun voor de groep op te wekken. Het mocht niet baten toen il condottiere aanbelde bij René Lamy, een ijspegel zonder één gram affiniteit met Vlamingen en modern management. Brussel heeft bij de Vlamingen - door eigen schuld - dezelfde akelige reputatie opgebouwd. Het einde van dat gedwongen huwelijk is in zicht. De auteur is directeur-hoofdredacteur van TrendsFrans Crols