Het post-Belgische tijdperk is weer een paar jaar dichterbij gekomen. Wat houdt dit land na dertien maanden politieke crisis, met tussendoor schierregeringen, nog samen? De drie klassiekers zijn: het koningshuis, de staatsschuld en Brussel. Twee bijkomstigheden dus en één belangrijker probleem.
...

Het post-Belgische tijdperk is weer een paar jaar dichterbij gekomen. Wat houdt dit land na dertien maanden politieke crisis, met tussendoor schierregeringen, nog samen? De drie klassiekers zijn: het koningshuis, de staatsschuld en Brussel. Twee bijkomstigheden dus en één belangrijker probleem. Het koningshuis laat zich juichend misbruiken, de voorlopig laatste keer door ontslagnemend premier Yves Leterme en CD&V, om zich af te zetten tegen de breed gedragen eis in Vlaanderen - niet in de laatste plaats in het zakenleven - voor een serieuze staatshervorming. La famille Saksen-Coburg dient zich te melden bij een uitzendbureau: de pretminnende senior hoort liever de motoren van de gratis legervliegtuigen richting zuiden dan de mening van de Vlaamse bovenlaag. Zijn zonen en dochter zijn politiek quantité négligeable. De staatsschuld? De internationale zakenbanken hebben draaiboeken die getest zijn bij de verdeling van schulden van de Europese staten die ontstonden na de implosie van de Sovjet-Unie. Brussel dan. Op een 11 juli-avond met een verstandige Antwerpse schepen als cocktailgenoot, klonk het dat hij België al lang had willen afschrijven als het behoud van Brussel hem dat niet belette. Ben ik de militant van een simplistisch verbond omdat ik 'het probleem Brussel' beschouw als een interessante nevenkwestie? Wie realistisch is, kiest ook voor die onbekommerdheid. Ten eerste, Vlaanderen heeft in Brussel van dag tot dag minder in de pap te brokken; de stad keert zich in haar daden vierkant tegen Vlaanderen, een Vlaanderen dat elk jaar zo'n 2 miljard euro transfereert naar een ondankbare, vijandige agglomeratie. Ten tweede, het zogenaamde verliezen van Brussel is een bedenking die losstaat van de Europese werkelijkheid die Vlaanderen, Wallonië en Brussel - ook met hun hele of halve zelfstandigheid van de toekomst - doordringt. Ten derde, elk volk dat zijn zelfstandigheid opeist, gaat door een verlatingsfase. Het is een etappe waarin duidelijk wordt dat men niet zijn hele gewenste territorium zal kunnen opeisen en dus te kiezen heeft tussen zelfstandigheid met gebiedsafstand of geen zelfstandigheid. Daar bestaan veel voorbeelden van. Laten we het hier houden bij de zes graafschappen van Noord-Ierland die de Ierse republikeinen in de jaren twintig van de vorige eeuw niet konden inlijven in hun gedekoloniseerde Ierland. Ten vierde, de Brusselaars zijn voor 90 % opgejut tegen Vlaanderen door de schandaaljournalistiek van Le Soir, dus zij zullen in de volgende jaren nooit 'ja' zeggen tegen de nieuwe staat. So far so good. Brussel kan zijn geopolitieke en geo-economische binding met Vlaanderen echter nooit ontvluchten. De stad kan niet worden versleept naar de Mezzogiorno. Brussel ligt waar het ligt en kan niet weg van de flank en de omkadering van Vlaanderen. Na gejammer, en dat kan jaren aanslepen, zullen de Brusselaars voor hun eigen welvaart en overleving een eerbaar compromis moeten sluiten met Vlaanderen. Tussen de Belgische onafhankelijkheid in 1830 en de afwikkeling in 1839 ligt een decennium. Tegenstanders kunnen in zo'n tijdspanne bondgenoten, vrienden worden. Laat u niet opjutten door Brussels-nationalisten als Philippe Moureaux en Olivier Maingain. Zij staan morgen zwakker dan de meeste Vlamingen denken. Zij kunnen kiezen tussen Brussel als indianenreservaat of als partner van Vlaanderen. Wallobrux heeft niet alleen de naam van een politiek Disneyland, het is bovendien krakkemikkig als een 2CV van het bouwjaar 1970. Ik weeg het belang af van de zes miljoen Vlamingen buiten Brussel tegenover dat van de 150.000 Vlamingen binnen Brussel. Het belang van de zes miljoen is om na 178 jaar op een zelfstandige manier hun doelen en ambities te kunnen waarmaken en afscheid te nemen van de harde kolonisering van Vlaanderen tot 1940 door de Franstaligen en de zachte kolonisering sedert 1945. In de discussie houdt men onvoldoende rekening met de Europese context. De Europese Unie heeft drie grondslagen: het vrije verkeer van mensen, het vrije verkeer van kapitalen en het vrije verkeer van goederen. Als Vlaanderen en Wallonië zelfstandig worden, dan blijven zij haast zeker lid van de EU. Natuurlijk zal er onderhandeld moeten worden, maar dat verandert niets aan het uitgangspunt. Lukt het niet met de EU, dan is er de Europese Vrijhandelsassociatie met dezelfde drie basisbeginselen. Geen enkele Brusselse regering, wet, richtlijn, belasting, treiterhandeling kan en zal beletten dat Vlamingen, zoals alle andere burgers van de EU, vrije toegang blijven hebben tot Brussel. De Vlamingen en Walen kunnen daar voor en na de Vlaamse en Waalse zelfstandigheid investeren, werken, wonen, sparen, consumeren, dollen en studeren. (T) De auteur is voorzitter van de adviesraad van Trends.Frans Crols