De Britse economie lag na de financiële crisis van 2008 in de lappenmand. Op het dieptepunt van de malaise kromp de economie met 7 procent. De overheid moest 70 miljard pond in de financiële sector pompen om die te redden. De staatsschuld steeg naar 91 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Het overheidstekort liep op van 2,4 tot 11 procent van het bbp.
...

De Britse economie lag na de financiële crisis van 2008 in de lappenmand. Op het dieptepunt van de malaise kromp de economie met 7 procent. De overheid moest 70 miljard pond in de financiële sector pompen om die te redden. De staatsschuld steeg naar 91 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Het overheidstekort liep op van 2,4 tot 11 procent van het bbp. Toen David Cameron in 2010 aan de macht kwam, aan het hoofd van een regering van conservatieven en liberaal-democraten, koos hij voor een herstelbeleid. Het begrotingstekort werd niet afgebouwd door nieuwe belastingen te heffen. Enkel de btw ging omhoog, met 2,5 procent. Daarnaast koos zijn regering voor een vermindering van de overheidsuitgaven, goed voor 75 procent van de sanering van de overheidsfinanciën. De overheidsuitgaven daalden van 47,7 procent van het bbp in 2009 naar 43 procent vorig jaar. Daarnaast werd de arbeidsmarkt grondig hervormd. Personeel ontslaan en aanwerven werd gemakkelijker. De bedrijven kregen aanzienlijke lastenverlagingen en er kwam een loonmatiging. Zo'n 31 miljoen Britten hebben momenteel een baan, een record. De werkloosheid bedraagt amper 5,6 procent. De Britse bedrijven profiteerden bovendien van het goedkopere Britse pond. Ten derde blijft Londen als financieel centrum de motor van de economie. Het trekt steeds meer buitenlandse werknemers aan. Van de 8,6 miljoen inwoners van Groot-Londen zijn er 3 miljoen in het buitenland geboren. Al die factoren verklaren waarom de Britse economie de voorbije jaren sterk gegroeid is. In 2014 was er 2,6 procent groei. Dit jaar zal het weer zoiets zijn. David Cameron is dan ook van plan op de ingeslagen weg door te gaan. De financiële markten hebben er alle vertrouwen in. Toen bekend raakte dat de Conservatieven afstevenden op een volstrekte meerderheid schoot de Londense beurs omhoog. Toch zal er de komende vijf jaar een schaduw hangen over de overwinning van Cameron. Hoe moet de premier omgaan met het Schotse nationalisme? En vooral: wat zullen de gevolgen zijn van het geplande referendum over het Britse lidmaatschap van de Europese Unie? Verschillende onderzoeken tonen aan dat de Britse economie bij een brexit op middellange termijn tussen 1,1 en 3,1 procent groei zou verliezen. Er zouden ook 4 miljoen jobs verloren gaan, aangezien 15 procent van het Britse bbp uit export naar Europa komt. Cameron neemt dus een groot risico. Een referendum dat leidt tot een brexit zou hem voor altijd blijven achtervolgen. Terecht maken economen en historici de vergelijking met Winston Churchill, die in 1925 als minister van Financiën opnieuw de goudstandaard invoerde. Economische nonsens, maar Churchill zwichtte voor een populistische achterban. Het gevolg was een stagnatie die na 1929 en de crash op Wall Street leidde tot een zeer pijnlijke Grote Depressie. Pas via een zware devaluatie in september 1931 raakte de Britse economie uit het sukkelstraatje. ALAIN MOUTON