De misschien wel belangrijkste economische gebeurtenis voor België het voorbije jaar vond plaats op tweede kerstdag. Een wissel aan de top van het bierconcern InBev werd meteen geduid als een "Braziliaanse machtsgreep".
...

De misschien wel belangrijkste economische gebeurtenis voor België het voorbije jaar vond plaats op tweede kerstdag. Een wissel aan de top van het bierconcern InBev werd meteen geduid als een "Braziliaanse machtsgreep". Een zoveelste staaltje van hineininterpretieren? Bij velen viel de eurocent rijkelijk laat. Of misschien nog steeds niet. InBev is uitgegroeid tot een wereldbedrijf. Het impliceert afstand nemen van de eigen Belgische nationaliteit, al geeft dat misschien een week gevoel bij een product dat sterk verbonden is met de bourgondische buik. Maar men kan nu eenmaal niet een beetje maagd zijn. De brouwers uit Leuven en Jupille kozen in 1987 radicaal voor een internationale strategie. Die zou op termijn ook het afstaan van een meerderheidsbelang kunnen impliceren. Er zijn nogal wat misverstanden over de samenwerking met AmBev. Belgen en Brazilianen verwierven een evenredig belang in de controleholding, Stichting InBev. Voor velen is dat nog steeds niet duidelijk. Die verwarring creëert onnodige mythes. Het zijn niet de Brazilianen, maar vooral de aandelenbeurzen die de strategische koers dicteren. Want zeker sinds de beursgang in 2000 koos de brouwer resoluut voor een Angelsaksische aanpak. Met succes, getuige de internationale investerings- en andere pensioenfondsen die miljoenen aandelen van de brouwer kochten. En zolang die fondsen die aanpak smaken, blijven de referentieaandeelhouders bij die koers. Een 'Braziliaanse machtsgreep' is vanuit die optiek zelfs een handig excuus voor eventueel gemor in eigen land. De druk op de bedrijfsleiding is uiteraard immens. InBev heeft als doelstelling de grootste en de beste van de wereld te worden. Dat klinkt vermetel, misschien zelfs protserig. Maar wie daarvoor gaat, ontdoet zich van een strikt Belgisch keurslijf. De discussies over de sluiting van Hoegaarden zijn vanuit dat perspectief ronduit lachwekkend. De efficiëntie van markten wordt bemeten vanuit een helikopterperspectief. En dan wordt een kleine, derde brouwerij een storende bromvlieg. Waarom dat bier niet in Jupille brouwen, met zijn onderbenutte capaciteit? Ook het abdijbier Leffe werd nooit gemaakt in de gelijknamige abdij. Maar wat met de menselijke factor binnen al dat geweld van de efficiëntie? Het personeel van InBev wordt bij al die internationalisering overstelpt met tientallen regeltjes en codes. Het zou moeten leiden tot een internationaal gedragspatroon, dat past in zowel Leuven, Toronto als Sjanghai. Zoiets ruikt warempel naar de maakbare mens. Maar wellicht kunnen we het topmanagement bij het bierconcern moeilijk verdenken van marxistische sympathieën, laat staan drijfveren. Een essentiële succesfactor, ook binnen een wereldconcern, blijft de creativiteit van zijn medewerkers. Stoot het verbazingwekkende InBev-model hiermee tegen zijn limieten? Wellicht niet. Want dit concern overwon in het verleden steeds weer alle hindernissen. Waarom geven die maakbare mensen niet rendez-vous bij het carnaval (in Leuven)? Wolfgang Riepl