Research Triangle Park, (Noord-Carolina, VS).
...

Research Triangle Park, (Noord-Carolina, VS).Jim Robertson, voorzitter van Research Triangle Park ( RTP) in de bossen tussen de Amerikaanse universiteitssteden Raleigh, Durham en Chapel Hill, toont enthousiast RTP Viewpoints. Op bladzijde vier knippen Thierry Verhaeghe de Naeyer, voorzitter van Bekaert, en gouverneur James Hunt van Noord-Carolina, het lint door bij de opening van de Bekaert-vestiging in het grootste wetenschapspark van de VS. RTP bestaat veertig jaar, huisvest 40.000 onderzoekers en bedienden en telt het hoogste aantal Ph.D.'s per vierkante kilometer in de VS. Guy Haemers, corporate vice-president van Bekaert Advanced Materials ( BAM): "RTP is een extra argument voor de klanten van Bekaert. Een prachtig naamkaartje. ( nvdr - zie ook Trends, 25 maart 1999, blz. 28)." BAM ontwikkelt de sputtering- en vezeltechnologie op RTP. Zelden wetenschappelijk doorgelichtNoord-Carolina was het land van de tabak, het katoen en de meubelen. De traditionele industrie zakte na 1945 in elkaar. Top-tech moest de vervangende werkgelegenheid brengen, zo werd besloten in 1959. Het Research Triangle Park kende een trage start. De doorbraak kwam er met de vestiging van IBM in 1965. Toch duurde het nog tien jaar voor de kritische massa werd bereikt. Vandaag gebeurt er veel onderzoek in de gezondheidssfeer en de ecologie. Het National Institute of Enviromental Health Sciences, het Micro-Electronic Center of North Carolina - een evenknie van het Leuvense Micro-Elektronica Centrum Imec - en het North Carolina Biotechnology Center zijn gevestigd op RTP. Rond het Research Triangle Park Institute en de drie centra voor uitmuntendheid hebben zich honderd research & development facilities (onder meer van IBM, Nortel, Cisco Systems, Delta Electronics, Ericsson, Novartis, Rhône-Poulenc, Reicholdt, Kobe Steel, Dupont) gevestigd. RTP is een concurrent van Silicon Valley en Route 128 rond Boston (zie kaart). De VS telt 150van de 400 wetenschapsparken wereldwijd. Vervullen zij hun beloften? Hebben zij de bruggen tussen industrie en universiteit versterkt?Een bizarre vaststelling is dat wetenschapsparken zelden wetenschappelijk zijn doorgelicht. Iedereen kent de succesverhalen van Stanford Industrial Park, Philadelphia's University City Science Center, Sophie-Antipolis (in Frankrijk) enzovoort. Naast de toppers zijn er floppers, maar dat wordt door gebrek aan cijfers verhuld. Jim Robertson van RTP signaleert twee van de betere studies: Technology in the Garden, van Michael Luger en Harvey Goldstein, 1991, en High-Tech Fantasies van Doreen Massey, Paul Quintas en David Wield, 1992, een Brits team. Hun hoofdbesluit is (zie kader: Geen Thank God It's Friday), dat de universiteiten zelf waarschijnlijk belangrijker zijn voor de stimulering van de regionale economie dan de wetenschapsparken. Trends in wetenschapsparken die men kan afleiden uit de twee boeken zijn: zij worden kleiner;meer en meer parken worden ondergebracht op oude legerbasissen (dat is bijvoorbeeld het geval in de Kempen, Turnhout, waar het Flanders Graphical Business Centre, één van de tien valleien, wordt ondergebracht in de oude kazerne Blairon); incubatiecentra zijn nuttiger voor een wetenschapspark dan het aanlokken van O&O-afdelingen van grote bedrijven;wetenschapsparken verlaten hun fysieke situering van stand-alone aan een rand, zij worden geïntegreerd in het weefsel van een bestaande stad of agglomeratie. Onmogelijk te voorspellen waar clustering gebeurtWaarom is de economische activiteit niet gelijkmatig verdeeld over de wereld? Deze vraag is een probleem voor economen, aangezien er volgens de standaard neoklassieke theorie altijd mechanismen optreden die zorgen voor een gelijkmatige spreiding van economische activiteit. Deze theorie sluit clustering uit, clustering die precies één van de oogmerken is van wetenschapsparken. Ondanks de neoklassieke theorie bestaat clustering. Paul Krugman bracht, eens te meer, raad. In het begin van de jaren negentig ontwikkelde de hoogleraar economie van Massachusetts Institute of Technology (MIT) in Boston, een nieuwe theorie die agglomeratie - en dus een ongelijke verdeling van economische activiteit - wél als natuurlijke uitkomst had. Bedrijven concurreren, na een tijd blijft er één monopolist over of ontstaat een duopolie. Als de transportkosten verwaarloosbaar klein zijn, is er voor een willekeurige andere producent geen reden om in de buurt te gaan zitten van de winnaar. Maar zo werkt de échte wereld niet. De combinatie van schaalvoordelen en transportkosten zorgt voor clustering. Waar zo'n concentratie zich precies zal ontwikkelen, is volledig onvoorspelbaar. Als Jo Lernout en Pol Hauspie in Maaseik hadden gewoond, dan lag Flanders Language Valley vandaag in een heuse vallei. FRANS CROLS