Hij wordt beschouwd als een van de grootste bloemenkunstenaars. Met zijn creaties bracht hij vernieuwing in de traditionele bloemsierkunst. Hij mag koninklijke families en andere beroemdheden onder zijn klanten rekenen en exposeerde over de hele wereld. Maar de weg van Daniël Ost (60) liep niet over rozen. Zijn ouders juichten zijn liefde voor bloemen niet toe. Integendeel: ze stuurden hem naar de kadettenschool, in de hoop dat hij er zou genezen van zijn 'vrouwelijke neiging' voor bloemschikken. Het was ijdele hoop. Maar de ijzeren discipline die hij meekreeg op de kadettenschool, kwam hem later wel van pas.
...

Hij wordt beschouwd als een van de grootste bloemenkunstenaars. Met zijn creaties bracht hij vernieuwing in de traditionele bloemsierkunst. Hij mag koninklijke families en andere beroemdheden onder zijn klanten rekenen en exposeerde over de hele wereld. Maar de weg van Daniël Ost (60) liep niet over rozen. Zijn ouders juichten zijn liefde voor bloemen niet toe. Integendeel: ze stuurden hem naar de kadettenschool, in de hoop dat hij er zou genezen van zijn 'vrouwelijke neiging' voor bloemschikken. Het was ijdele hoop. Maar de ijzeren discipline die hij meekreeg op de kadettenschool, kwam hem later wel van pas. Ost zette door en ging toch naar de bloemistenschool. Het was een dure opleiding, terwijl hij geen rooie duit had. "Veel medeleerlingen waren kinderen van bloemisten, die alle materiaal bij de hand hadden", vertelt hij. "Ik moest me behelpen met wat ik hier en daar kreeg. Of ik ging in het holst van de nacht bloemen afsnijden in tuinen of in het stadspark. Die zette ik dan klaar in emmers, om ze 's ochtends mee te nemen op de trein. Soms vond ik ze terug in de vuilnisbak, bedolven onder een pak frietvet. Werkelijk alles hebben mijn ouders gedaan om me van mijn passie af te houden. Ik ben dankbaar dat ik de kracht had om me uit die moeilijke situatie te vechten. Dat is niet iedereen gegeven." "Een paar keer in mijn leven heb ik geluk gehad", geeft hij toe. Een van die momenten was toen de Nederlander Peter Curfs neerstreek in Sint-Niklaas, om er een bloemenwinkel te beginnen. Hij had een beroemde bloemenzaak uitgebaat in Den Haag en had in topzaken in Europa gewerkt als meester-binder. Al snel vond het chique cliënteel uit de omstreken de weg naar de winkel, en de jonge Ost kon er aan de slag. "Die technisch zeer onderlegde man was fin de carrière en heeft al zijn kennis in mij gepompt", zegt Ost. Om zich verder te vervolmaken, ging hij les volgen in Nederland, waar de opleiding meer op het artistieke aspect is toegespitst. Het werk van Ost was anders, alleen al door het originele materiaalgebruik. "In het begin was dat niet met opzet, maar uit pure armoede." Uit financiële noodzaak beperkte hij zich niet tot de bloemen van de bloemist, maar gebruikte hij alles wat hij in de natuur kon vinden: wilde bloemen zoals paardenbloemen, maar ook bladeren, boomstammen, takken, schors, doornen, wortels, zaden, mossen, grassen, paddenstoelen, riet, vruchten en groenten. De inventiviteit die hij daarvoor aan de dag moest leggen, werd een constante in zijn werk. Dat hij met zijn banale objets trouvés de ene na de andere wedstrijd won, stak velen de ogen uit. "Lange tijd heb ik de hele bloemenwereld tegen mij gehad." Ost herinnert zich nog hoe hij in 1979 zijn eerste Belgische kampioenschap won met een compositie van boomstammen, takken en bladeren die hij had verzameld in een park in de Ardennen. "Bloemsierkunst zonder bloemen is niets, kopte een verontwaardigd vaktijdschrift", lacht Ost. Toen was het controversieel, maar ondertussen behoren die materialen tot het standaardassortiment van veel bloembinders. Ost had een trend gezet, en dat deed hij ook met zijn creaties: composities van opeengestapelde bladeren, bessen en stengels, sculpturen van bloemen en planten in geometrische en architecturale vormen, en bloemendecoraties op onverwachte locaties - de vuilnisbelt van Sint-Niklaas bijvoorbeeld. Ook zijn technieken waren altijd al innovatief. Zo was hij een van de eerste bloembinders die bloemstelen vlochten en gebruikte hij eind jaren tachtig als eerste reageerbuizen om de bloemen in zijn sculpturen van water te voorzien. De meeste bloembinders hebben ook dat overgenomen. Ost geeft vergankelijke materialen een nieuw leven als kunstwerk. Hij wil de schoonheid van bloemen en planten daarmee een extra dimensie geven. "Je moet als bloemkunstenaar niet proberen de natuur te reproduceren of te kopiëren. Je kunt de natuur toch niet overtreffen. Je moet er iets nieuws mee creëren, iets dat eerder niet bestond." Na dat eerste kampioenschap ging het hard. "Ik kon gaan werken voor Frans Van Remoortel, die een enorm bloemenbedrijf had in Belsele. Toen kwam ik op shows aan met een vrachtwagen vol materiaal in plaats van met een bestelwagen. Ik heb in die tijd veel medailles gewonnen. Op de Wereldbeker in Detroit werd ik tweede." Hij kreeg de kans een bloemenwinkel over te nemen in het centrum van Sint-Niklaas, recht tegenover zijn vroegere leermeester. "Kapitaal had ik niet, maar door het werk van mezelf en mijn vrouw Marie-Anne betaalden we de zaak af." De winkel is er nog altijd, in een art-nouveaupand aan de overkant van het plein. "Dankzij mijn vrouw. Ik had overal kunnen wonen, bij voorkeur in Japan, maar zij dacht praktisch: als artiest waren mijn inkomsten onzeker. Grote wereldsteden waren te duur, redeneerde ze. 'We zullen wel zorgen dat de wereld naar Sint-Niklaas komt.' En zo is geschied. Het atelier is ook nog altijd hier, al huren we vaak extern voor grote dingen of werken we ter plaatse." Er is nu ook een tweede winkel in de Koningsstraat in Brussel. Ost had nog eens geluk toen hij begin jaren tachtig Martine De Clerck van Domo ontmoette. "Ze werd een trouwe klant en het klikte, zowel met mij als met mijn vrouw. Zij heeft me doen inzien dat het belangrijk was mijn creaties op foto vast te leggen, om ze met de wereld te kunnen delen. In het begin was ik daar tegen, omdat die beelden mijn werken niet toonden zoals ze echt waren. Maar ze had gelijk. Dankzij de foto's kreeg mijn werk veel meer weerklank, over de hele wereld, ook nadat de creaties op de mesthoop waren beland." Ook zijn eerste boek was een idee van Martine De Clerck. "Zij financierde het en liet het verspreiden via de kanalen van de familie De Clerck. De opbrengst ging naar een fonds voor kinderen met leukemie. Het werd mijn visitekaartje, dat heel wat deuren opende. Zo mocht ik in 1990 voor België strijden om de Wereldbeker, tegen Japan." Na die Wereldbeker kwam er belangstelling uit Hongkong, Taiwan en Japan. Dat laatste land, dat hij ondertussen zijn tweede vaderland noemt, had Ost altijd al gefascineerd. "In onze westerse cultuur heeft de bloemsierkunst vooral een utilitaire en decoratieve functie: het verfraaien van gebouwen of het opluisteren van feesten en belangrijke gebeurtenissen in een mensenleven, zoals een huwelijk of een begrafenis. Daarom werken we vooral met het lichaam en de kleur van bloemen. In het Oosten worden bladeren en bloemen gebruikt om gedachten over te brengen. Het gevoel dat een bloem overbrengt, primeert er. Ik wilde dat met mijn eigen ogen zien en trok ernaartoe, om van de Japanners te leren. Meer dan dertig jaar geleden is dat, en het was liefde op het eerste gezicht - voor de rijkdom aan bloemen en planten, voor de bloembindcultuur en voor de mensen." Zijn ontmoeting met Japan heeft Ost diep beïnvloed. Sindsdien slaat hij in zijn werk de brug tussen de zenachtige soberheid van het Oosten en de bonte overdaad van het Westen. De liefde is wederzijds: onlangs werd Ost geridderd in de Orde van de Rijzende Zon, een Japanse ridderorde die in 1875 door de Meiji-keizers werd opgericht. Het is de hoogste onderscheiding die een buitenlander in Japan te beurt kan vallen. Ost mag dan 60 zijn geworden, hij blijft ideeën uitproberen. Bij elke nieuwe creatie gaat hij op zoek naar een nog volmaaktere harmonie van vormen, kleuren en materialen. Maar fysiek kan hij niet meer wat hij vroeger kon. "Onlangs was ik negentig dagen in Japan voor een tentoonstelling. De korte nachten eisten hun tol. Op een terugvlucht werd ik onwel. Een hartslag van 140 in zittende positie. Er werd een dokter bijgehaald die aan boord was, en ik werd platgelegd in de cockpit bij de piloten, om na de landing meteen te worden opgehaald voor onderzoek." Sinds vorig jaar wordt hij geholpen door zijn dochter Nele en zijn schoonzoon Yann. "Tot voor kort was ze totaal niet geïnteresseerd in wat ik deed. Omdat ik er nooit was geweest voor haar, ik was getrouwd met mijn bloemen. Maar ik was blij toen ze aankondigde dat ze wilde voortdoen wat ik begonnen was. Ze heeft de zin voor detail en het gevoel voor kleur, en technisch zal ik haar alles leren. Maar verder moet ze haar eigen verhaal schrijven, en vooral geen kopie van haar vader willen worden." "Zakelijk nemen Nele en haar man al veel over. Ze zijn daarin beter dan ik. Want iedereen denkt dat ik rijk ben geworden, maar veel heb ik gedaan voor god en vaderland. De bloemen voor het huwelijk van koning Filip en dat van prins Laurent, bijvoorbeeld, daar heb ik geen euro voor gefactureerd." Of zijn ouders niet zijn bijgedraaid? "Mijn vader brak zijn rug door een arbeidsongeval in een metaalbedrijf. Na drie jaar revalidatie moest hij een andere baan zoeken. Hij kwam terecht - o ironie - bij de Groendienst van Sint-Niklaas. Toen ik hem bloemen zag planten bij het kerkplein, kon ik het toch niet laten hem te waarschuwen voor te veel vrouwelijke neigingen (gniffelt). En weet je wat, hij deed dat werk graag. Hij schopte het zelfs tot de tweede man op de Groendienst. Toen was ik trots op mijn vader." KARIN EECKHOUT, FOTOGRAFIE KAREL DUERINCKX"Je moet als bloembinder niet proberen de natuur te reproduceren"