De auteurs zijn advocaten. Alain Verbeke is tevens hoogleraar aan de KU Leuven en de Universiteit van Tilburg.
...

De auteurs zijn advocaten. Alain Verbeke is tevens hoogleraar aan de KU Leuven en de Universiteit van Tilburg.Het is al vaker gezegd: een goede successieplanning begint met een goed huwelijkscontract. Veel mensen kiezen voor een scheiding van goederen, bijvoorbeeld om zich te beschermen tegen elkaars schuldeisers. De zuivere scheiding van goederen kan voor de vrouw echter pijnlijk zijn wanneer het huwelijk ontbonden wordt. Maar ook bij een overlijden is het vaak niet echt handig. Wanneer de meest vermogende echtgenoot sterft, moet de achterblijvende partner een serieuze pil aan successierechten slikken. Vaak zegt men dat een gemeenschap van goederen het voordeel heeft van een automatische planning. De helft van het gemeenschappelijke vermogen komt direct toe aan de langstlevende echtgenoot en die toekenning is in principe onbelast. Maar dat effect kan ook bij een scheiding van goederen worden gecreëerd door een zogenaamd 'alsofbeding' op te nemen in het huwelijkscontract. De mogelijkheden zijn zo ruim dat een alsofbeding fiscaal voordeliger kan zijn dan gemeenschapscontracten. Het grote nut van het alsofbeding bij de successieplanning werd eind vorig jaar bevestigd door een belangrijk arrest van het hof van beroep in Antwerpen. Wij lichten het hier toe met een voorbeeld. Jan en Miep zijn getrouwd met een contract van zuivere scheiding van goederen. Ze hebben samen twee kinderen. Het totale vermogen van Jan is 2000. Het totale vermogen van Miep is 200. Bij het overlijden van Jan vormt zijn vermogen van 2000 de nalatenschap. Die kan volgens het gewone erfrecht overgaan op Miep, die het vruchtgebruik krijgt, en de twee kinderen, die de blote eigendom krijgen. Dat is de wettelijke erfrechtelijke regeling. Met een testament kan hiervan worden afgeweken. Op de 2000 moeten dan successierechten worden betaald. Jan en Miep hebben aan hun huwelijkscontract een alsof-beding toegevoegd voor het geval het huwelijk wordt beëindigd door het overlijden van een van hen. Voor de toepassing van het alsofbeding is het belangrijk te bekijken hoe hun vermogen is opgebouwd. De 2000 van Jan bestaat voor 1500 uit 'aanwinsten', 200 uit 'voorhuwelijkse goederen' en 300 uit erfenissen of schenkingen. De 200 van Miep zijn aanwinsten. Volgens het Antwerpse hof van beroep zijn aanwinsten alle goederen die tijdens het huwelijk zijn verworven onder bezwarende titel (niet gratis) en waarvan niet is bewezen dat ze een belegging of wederbelegging van tegenwoordige of toekomstige goederen uitmaken. Tegenwoordige goederen zijn voorhuwelijkse goederen, die men al in eigendom had vóór het huwelijk. Toekomstige goederen zijn bezittingen verkregen uit een erfenis, schenking of testament, zowel voor als tijdens het huwelijk. Volgens het alsofbeding komt aan de langstlevende echtgenoot een vordering toe op de helft van het totale vermogen dat op naam van beide echtgenoten staat. Daarvan wordt het vermogen dat al op naam van de langstlevende staat, afgetrokken. Als Jan overlijdt, heeft Miep een vordering van 900. Die verkrijgt ze door het gezamenlijke vermogen (2000 + 200) te delen door twee (1100) en daarvan de eigen goederen (200) af te trekken. Miep heeft bij het overlijden van Jan dus een vordering van 900, plus haar eigen aanwinsten van 200. Totaal: 1100. De belastbare nalatenschap is nu drastisch verminderd, want de successierechten worden geheven op 1100. We gaan er wel van uit dat de vordering die Miep ontvangt, niet aan successierechten onderhevig is. Dat is het geval als de vordering kan worden beschouwd als een huwelijksvoordeel. Zo'n voordeel wordt geacht te zijn ontvangen onder bezwarende titel en is daarom niet aan successierechten onderworpen. Het Antwerpse hof van beroep biedt een antwoord in zijn arrest. Ook bij een scheiding van goederen is er een huwelijksvoordeel wanneer een beding ertoe leidt dat de langst- levende alle aanwinsten verkrijgt. Het arrest bepaalt bovendien dat als er kinderen uit een andere relatie zijn, het voordeel vermindert. In zo'n geval is de vordering alleen een huwelijksvoordeel (en dus onbelast) als de langstlevende niet meer krijgt dan de helft van de aanwinsten. Als we de overwegingen van het hof van beroep toepassen op Jan en Miep, zien we dat de vordering van Miep onbelast is. Miep krijgt met de vordering (900) en de eigen goederen (200) een totaal van 1100 en dat is niet meer dan het totaal van de aanwinsten van beide echtgenoten samen (1500 + 200). De belastbare nalatenschap vermindert zo maar even van 2000 tot 1100. Jan en Miep kunnen een nog grotere besparing realiseren door aan de langstlevende een vordering op alle aanwinsten toe te kennen. Dan rust er op de nalatenschap een schuld van 1500 en zou Miep een vordering van 1500 hebben, die ook volledig onbelast is. De belastbare nalatenschap van Jan zou dan verder verminderd worden tot 500. Er is wel een voorwaarde: Jan en Miep mogen geen kinderen uit een vorige relatie hebben. In dat geval worden de huwelijksvoordelen namelijk sterk aan banden gelegd. Bekijk nog even de samenstelling van het vermogen van Jan. In die 2000 vinden we aanwinsten (1500), maar ook schenkingen of voorhuwelijkse goederen (300 + 200). Samen heten die de inbreng. Zou Miep ook op deze goederen een onbelaste vordering kunnen doen gelden? Ook hier hangt het antwoord ervan af of de vordering wordt beschouwd als een huwelijksvoordeel. Een huwelijksvoordeel is immers onbelast. Het hof van beroep bevestigt dat de verrekenvordering een huwelijksvoordeel is als de vordering van Miep in waarde niet hoger is dan alle aanwinsten van beide echtgenoten samen, plus de helft van de inbreng van Jan. Het deel van de vordering dat boven die grens komt, wordt beschouwd als een schenking en is belastbaar. Deze regeling geldt weer niet als er kinderen uit een andere relatie zijn. Met dit alsofbeding heeft Miep bij het overlijden van Jan, naast haar eigen vermogen (200), recht op een vordering op het totale vermogen van Jan (2000). Die vordering is onbelast als ze, samen met het eigen vermogen, betrekking heeft op niet meer dan haar eigen inbreng (0), alle aanwinsten samen (1500 + 200) en de helft van de inbreng van de overleden echtgenoot (250). Het plafond tot waar de vordering samen met het eigen vermogen onbelast is, bedraagt dus 1950. De vordering van 2000 samen met het eigen vermogen van 200 overschrijdt die grens met 250. Op dat bedrag wordt Miep belast. In vergelijking met de vorige twee situaties is de nalatenschap van Jan van 2000 nu bezwaard met een vordering van 2000. Zo is de nalatenschap herleid tot nul. Miep heeft een vordering van 2000, waarvan 1750 onbelast en 250 belast is. Als er alleen maar aanwinsten zijn, kan het alsofbeding zo uitpakken dat de belastbare nalatenschap nul is. Dan is de vordering volledig onbelast. Dat is een successiebesparing tussen echtgenoten die in een gemeenschap van goederen nooit kan worden gerealiseerd. Overigens kan iedereen overschakelen op een scheiding van goederen. Je kan je de vraag stellen of het wel logisch is om het gezamenlijk opgebouwde vermogen van de echtgenoten te belasten wanneer een van beiden overlijdt. Maar vergeet niet dat het vermijden van successierechten tussen echtgenoten slechts uitstel van executie is. Wanneer ook de andere echtgenoot sterft, betalen de erfgenamen successierechten op het volledige bedrag. Tot nu toe gingen we ervan uit dat de meest vermogende echtgenoot eerst zou overlijden. Maar wat als Miep eerst gaat? Als het alsofbeding in hun huwelijkscontract verplicht wordt toegepast, moet Jan bij het overlijden van Miep successierechten betalen op zijn eigen vermogen. In de nalatenschap van Miep zit immers een vordering die (minstens gedeeltelijk) ook aan Jan vererft. Om dit euvel op te vangen, wordt het beding best facultatief geformuleerd. De langstlevende echtgenoot heeft dan de keuze om bijvoorbeeld binnen vijf maanden na het overlijden de vordering uit te oefenen. Overlijdt Miep eerst, dat kiest Jan er gewoon voor de optie niet te lichten. Sinds het arrest van het Antwerpse hof loont het de moeite om voor de successieplanning tussen echtgenoten een scheiding van goederen met een alsofbeding (finaal verrekenbeding) in overweging te nemen. Dat het maar over een vordering gaat en niet over een eigendomsrecht, maakt economisch niet zoveel uit. Dat nadeel weegt wellicht niet op tegen het voordeel van de enorme belastingbesparing die kan worden gerealiseerd. Wel moet u eraan denken om de mogelijkheid van een echtscheiding in te bouwen. In het huwelijkscontract neemt u daarom best twee verschillende bedingen op: een verrekenbeding in het geval van overlijden en een ander verrekeningbeding (of helemaal geen) in het geval van een echtscheiding. Alain Nijs Anton van Zantbeek Alain VerbekeSinds het arrest van het Antwerpse hof loont het de moeite om voor de successieplanning tussen echtgenoten een scheiding van goederen met een alsofbeding in overweging te nemen. Het alsofbeding is geen eigendomsrecht, maar dat nadeel weegt niet op tegen het voordeel van de enorme belastingbesparing die kan worden gerealiseerd.