Het Amerikaanse dreigement om China het privilege van meest begunstigde natie te ontnemen, bleek de voorbije week eens te meer een holle frase ; hiermee verliest de regering-Clinton flink wat geloofwaardigheid bij de vermaledijde heersers in het Zuiden. China huppelt van de ene overwinning naar de andere. Tijdens de jongste VN-Commissie voor de Mensenrechten in Genève wist Beijing een meerderheid van de ontwikkelingslanden achter zich te scharen : Azië (behalve Japan) en Afrika (behalve Malawi) vormden front tegen het Westen, dat China graag openlijk de levieten had gelezen. De Chinese ambassadeur kreeg het Zuiden achter de populistische slagzin : "De oost-westtegenstelling is vervangen door een noord-zuidconfrontatie."
...

Het Amerikaanse dreigement om China het privilege van meest begunstigde natie te ontnemen, bleek de voorbije week eens te meer een holle frase ; hiermee verliest de regering-Clinton flink wat geloofwaardigheid bij de vermaledijde heersers in het Zuiden. China huppelt van de ene overwinning naar de andere. Tijdens de jongste VN-Commissie voor de Mensenrechten in Genève wist Beijing een meerderheid van de ontwikkelingslanden achter zich te scharen : Azië (behalve Japan) en Afrika (behalve Malawi) vormden front tegen het Westen, dat China graag openlijk de levieten had gelezen. De Chinese ambassadeur kreeg het Zuiden achter de populistische slagzin : "De oost-westtegenstelling is vervangen door een noord-zuidconfrontatie." Het gevaar is niet denkbeeldig dat China door de westerse agitatie in een leidersrol wordt geduwd voor de strijd van de have-nots tegen de haves. Zo'n polarisatie kan een politieke destabilisatie veroorzaken waar niemand beter van wordt. Dit wil niet zeggen dat zorg voor democratie en respect voor de mensenrechten een westers monopolie zijn maar "postkoloniale dictaten" (of wat als zodanig wordt ervaren) verstoren veeleer de spontane maatschappelijke ontwikkelingen naar universeel-menselijke aspiraties. (In Zaïre heeft de dogmatische Belgische aanpak een restauratie van de oude politieke klasse in de hand gewerkt en in Ruanda een menselijk drama veroorzaakt, waar achteraf op een nogal cynische manier opnieuw de mensenrechten bijgesleept worden.) Terwijl het Westen worstelt met een economische depressie en tekenen vertoont van pessimisme en beschavingsmoeheid, blaken de Nieuwe Landen in Zuidoost-Azië van zelfvertrouwen en zijn zelfs in Afrika her en der opklaringen te bespeuren. Voor de oudere heersers kan dit een alibi zijn om hun machtsposities te bevestigen tegen de westerse bemoeizucht, maar de betutteling wekt evenzeer ergernis bij de jongere generatie.In zijn comeback-toespraak verwees Guy Verhofstadt naar de opmerkelijke prestaties van landen als Hongkong en Singapore. Dit laatste financiert grote infrastructuurwerken en sociale woningbouw met overschotten uit het Central Providence Fund (de plaatselijke sociale zekerheid). Wat meteen bewijst dat sociale zekerheid geen "on-Aziatisch" begrip is en bovendien geen blok aan het been hoeft te zijn voor een welvaartsstaat. China onderzoekt nu hoe het Singaporees model in diverse steden toegepast kan worden. Dat zal ongetwijfeld gepaard gaan met verhevigde tegenstellingen tussen achtergebleven plattelandsgebieden en steden in volle economische expansie ; het zal bijkomende spanningen veroorzaken tussen de afbrokkelende eenpartijdictatuur en de vrije markt. Toch zullen er uiteindelijk interne evenwichten totstandkomen, zij het niet zonder slag of stoot.In het Westen wordt de geschiedenis niet langer gezien als een samenhangend proces waarin bepaalde ontwikkelingen te bespeuren vallen. Het idee van een samenhangende historische ontwikkeling is verdrongen door individualisering en fragmentering van de samenleving. Dat vertekent onze perceptie van wat in het Zuiden gebeurt. Westerse politici surfen dan maar op de golven van kortstondige trends en opiniepeilingen, zonder gevoel voor een breder verband, of ze pinnen zich vast op de scherpe scheidslijnen van het zogeheten politiek correct denken. Dit verhindert een constructieve dialoog met niet-westerse culturen en het heeft een nefast effect, onder meer op de hulpprogramma's voor ontwikkelingslanden. Vaak zijn deze weinig meer dan een cocktail waarin beschikbare budgetten en (ideologisch gekleurde) prioriteiten van de donoren samenvloeien met het verlangen naar sociale erkenning en de daaraan verbonden voordelen voor de lokale projectleiders ; met ontwikkeling heeft dat inhoudelijk weinig te maken. De Aziatische landen staan dan ook niet te trappelen om de 400 miljoen VS-dollar die de Europese Unie dit jaar wil uittrekken voor armere landen in de regio. Zij verkiezen handel in plaats van hulp (voorwaardelijk gekoppeld aan mensenrechten). In hun ogen zijn sociale clausules alleen maar vermomde protectionistische reflexen tegen "een invasie van goedkope Aziatische producten". Dit laatste is een mythe : de import uit Azië vormt nauwelijks 1,5 % van alle uitgaven voor goederen en diensten in de westerse economieën. Met de mensenrechten gaat het in de Nieuwe Landen de goede kant op : alle bevolkingslagen delen in de welvaartstoename, de kindersterfte daalt en de levensverwachting stijgt. In landen als Thailand en Indonesië wordt dat optimistische beeld vertekend door de verschillen tussen stad en platteland en door het uiterlijk vertoon van de nouveaux riches, maar globaal bekeken daalt de armoede overal. Naarmate de arbeidsproductiviteit toeneemt, stijgen de lonen. Nergens zitten minderbedeelden te wachten op lessen van westerse wereldverbeteraars om sociale mistoestanden recht te trekken. Overal staan autoritaire systemen steeds meer onder druk van de eigen bevolking. Enige bescheidenheid van het Westen of op z'n minst een meer oprechte toonzetting zou die stroming versterken, de dialoog vergemakkelijken en de wereldhandel stimuleren. ERIK BRUYLAND