De auteur is advocaat en hoofdredacteur van fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van fiscoloog. Als u uw werkelijke kosten bewijst, mag u ook de kosten van het woon-werkverkeer aftrekken. Doet u die verplaatsingen met de eigen wagen, dan is de aftrek beperkt tot een vast bedrag van 0,15 euro per kilometer. Het nadeel is dat dit vaste bedrag doorgaans lager is dan de werkelijke kosten die u hebt. Het voordeel is dat u nog weinig moet bewijzen. Aantal. Voor de autokosten van het woon-werkverkeer is niet meer vereist dat u bewijst hoeveel brandstof u verbruikt hebt, hoeveel de wagen heeft gekost enzovoort. Het enige dat u moet bewijzen, is dat u de wagen voor het woon-werkverkeer hebt gebruikt, en het aantal gereden kilometers. Dat bewijs is doorgaans niet moeilijk te leveren. De belastingadministratie heeft trouwens zelf al geschreven dat voor belastingplichtigen die elke normale werkdag hetzelfde woon-werktraject afleggen, het aantal kilometers doorgaans makkelijk te bepalen is aan de hand van het aantal gepresteerde arbeidsdagen. Maar sommige belastingcontroleurs zijn wantrouwig en vermoeden dat veel belastingplichtigen slechts beweren dagelijks met de eigen wagen naar het werk te rijden. Vandaar dat ze toch nog bijkomende bewijzen eisen in de vorm van onderhoudsfacturen, brandstofafrekeningen enzovoort. De rechtspraak is milder. Voor de aftrek van het vaste bedrag van 0,15 euro per kilometer aan autokosten van het woon-werkverkeer is het voldoende dat u aannemelijk maakt hoeveel kilometers u hebt afgelegd en dat u daarvoor de eigen wagen hebt gebruikt. Het voorleggen van facturen en dergelijke kan wel helpen, maar is strikt genomen niet (meer) vereist. Zo aanvaardde de rechtbank van eerste aanleg in Namen vorig jaar dat een attest van de werkgever kon volstaan, nu er geen enkele reden was om de waarachtigheid van dit attest in twijfel te trekken (vonnis van 22 mei 2002). Vals. De rechtbank van eerste aanleg in Luik zit op hetzelfde spoor. Enkele maanden geleden ging de rechtbank zelfs zeer ver in het aanvaarden van de betrouwbaarheid van een attest van de werkgever (vonnis van 7 november 2002). Hier ging het om een ambtenaar die een attest van zijn diensthoofd voorlegde, waarin die bevestigde dat de ambtenaar zich regelmatig met zijn eigen wagen naar het werk begaf. De fiscus vond dit onvoldoende als bewijs, omdat het niet uitgesloten zou zijn dat het om een "gelegenheidsattest" zou gaan. Maar de Luikse rechtbank gaat er blijkbaar van uit dat van een overheidsambtenaar mag worden verwacht dat hij geen valse attesten aflevert. Als de fiscus vond dat het attest vals was, dan had die bijvoorbeeld klacht kunnen neerleggen bij het parket. Dat heeft de administratie niet gedaan. Aangezien er bovendien geen andere elementen in het spel waren die erop zouden kunnen wijzen dat de ambtenaar zijn eigen wagen niet of minder frequent voor het woon-werkverkeer zou hebben gebruikt, aanvaardt de rechtbank het attest en kent hij de gevraagde aftrek toe. Maar zoals steeds volstaan loutere beweringen niet. Dat ondervond onlangs nog een piloot voor de rechtbank van eerste aanleg in Namen. De man beriep zich op de aftrek van 0,15 euro per kilometer voor zijn verplaatsingen tussen zijn woonplaats en het vliegveld in Zaventem. Maar gevraagd naar het werkelijke aantal kilometers dat hij met zijn eigen wagen had gereden, verwees hij enkel naar zijn onregelmatige werkuren en de onmogelijkheid om met het openbaar vervoer van bij hem thuis in Zaventem te raken. Dat vond de rechtbank te weinig. De piloot had naar de smaak van de rechtbank minstens kunnen aanbieden om met getuigen het werkelijke gebruik van zijn eigen wagen aan te tonen. Maar ook dat heeft hij niet gedaan. De rechtbank oordeelt daarom dat de fiscus de aftrek terecht geweigerd heeft (vonnis van 8 januari 2003). Anders. De discussie over het bewijs van de kosten van het woon-werkverkeer verliest tegenwoordig overigens veel van zijn belang. Enige tijd geleden heeft de wetgever immers beslist dat ook wie anders dan met de eigen wagen deelneemt aan het woon-werkverkeer, en die bij gebrek aan bewijzen de juiste omvang van de kosten van die andere vervoerswijze niet kan aantonen, eveneens een vast bedrag van 0,15 euro per kilometer als werkelijke beroepskosten mag aftrekken. Maar anders dan bij de autokilometers is de aftrek hier beperkt tot maximaal vijftig kilometer (enkele rit). De nieuwe regeling heeft tot gevolg, dat al wie minder dan vijftig kilometer van het werk woont, grotendeels verlost is van het bewijsprobleem. Binnen een straal van vijftig kilometer rond de woning lopen de twee regelingen immers gelijk. Of u de verplaatsingen (binnen die straal) maakt met de eigen wagen of op een andere wijze maakt geen verschil meer: iedereen heeft recht op de aftrek van het vaste bedrag van 0,15 euro per kilometer (van het woon-werkverkeer). Het enige dat u dan nog moet bewijzen, is de werkelijke afstand van het woon-werkverkeer en de frequentie ervan. Voor wie voltijds tewerkgesteld is, kan dit nauwelijks problemen opleveren. Aan de hand van de loondocumenten die u van uw werkgever krijgt, kan moeiteloos worden aangetoond hoeveel dagen u in het jaar hebt gewerkt. De rest is een kwestie van meten. Keerzijde. Let wel, elke medaille heeft zijn keerzijde. De aftrek van het vaste bedrag van 0,15 euro per kilometer van het woon-werkverkeer geldt enkel voor wie zijn werkelijke kosten bewijst. Maar wie dat doet, is tegenwoordig automatisch uitgesloten van de vrijstelling van de werkgeverstussenkomst in de kosten van het woon-werkverkeer. U moet dus kiezen. En rekenen. Jan Van DyckMet een attest van de werkgever komt u al heel ver.