Solvay

De hoofdzetel van Solvay kwam door de Duitse inval in bezet gebied te liggen. In verschillende landen bleken dochterondernemingen plots te behoren tot met elkaar oorlogvoerende kampen. In sommige fabrieken werden de arbeiders opgevorderd voor de oorlog, maar ook de grondstoffenschaarste verzwakte de positie van het Solvay-imperium. Toch doorstonden de meeste fabrieken de oorlog vrijwel ongehavend. Het kwalijkste gevolg van de oorlog voor Solvay was nog de inbeslagname van de fabrieken in Rusland door de bolsjewieken na de Oktoberrevolutie. Later plooide Solvay zich terug op productieactiviteiten in continentaal Europa, als gevolg van de economische crisis in de VS waarbij het de controle over zijn Amerikaanse dochter had verloren.
...

De hoofdzetel van Solvay kwam door de Duitse inval in bezet gebied te liggen. In verschillende landen bleken dochterondernemingen plots te behoren tot met elkaar oorlogvoerende kampen. In sommige fabrieken werden de arbeiders opgevorderd voor de oorlog, maar ook de grondstoffenschaarste verzwakte de positie van het Solvay-imperium. Toch doorstonden de meeste fabrieken de oorlog vrijwel ongehavend. Het kwalijkste gevolg van de oorlog voor Solvay was nog de inbeslagname van de fabrieken in Rusland door de bolsjewieken na de Oktoberrevolutie. Later plooide Solvay zich terug op productieactiviteiten in continentaal Europa, als gevolg van de economische crisis in de VS waarbij het de controle over zijn Amerikaanse dochter had verloren. De geschiedenis van de belangrijkste voorganger van Umicore, Union Minière, begon in 1906 met de Union Minière du Haut-Katanga (UMHK). Die had als belangrijkste activiteit de exploitatie van de rijke minerale ondergronden van Katanga in Belgiës kolonie, Kongo. UMHK werd al snel een belangrijke bron van koper, dat door de geallieerden werd gebruikt in de Eerste Wereldoorlog. De oorlog en de Duitse bezetting dwongen UMHK zijn hoofdkwartier te verhuizen naar Londen. Van daaruit droeg het bedrijf bij aan de Britse en Amerikaanse oorlogsinspanningen door vitale metalen en mineralen te leveren. Tegen het einde van de oorlog had UMHK meer dan 85.000 ton koper verscheept naar de VS, Engeland en andere geallieerde landen. Na de oorlog diversifieerde UMHK naar tin, goud, zilver, radium en kobalt. Tijdens de Grote Depressie stortte de kopermarkt in. UMHK reageerde door zich vanaf 1937 op de productie van zink te gooien. Toen de Zaïrese regering in 1968 overging tot de nationalisering van de eigendommen van de maatschappij, ontwikkelde UMHK andere mijn- en raffinageactiviteiten. Een jaar later veranderde UMHK zijn naam in Union Minière (UM), dat begin jaren tachtig werd opgeslorpt door de Generale Maatschappij en eind jaren tachtig fuseerde met Vieille Montagne en Metallurgie Hoboken-Overpelt. Midden 2001 veranderde UM zijn naam in Umicore. De start van Delhaize situeert zich in 1867 toen de familie Delhaize uit Ransart een eerste winkel in Charleroi opende. De initiatiefnemer was Jules Delhaize, die werd bijgestaan door zijn broer Auguste. Nadien kwamen naast toekomstige schoonbroer Jules Vieujant ook de broers Edouard en Adolphe aan boord. Toch zaten niet alle broers op dezelfde golflengte. Louis Delhaize bijvoorbeeld startte voor eigen rekening. In 1883 verplaatste Delhaize zijn activiteiten van Charleroi naar Molenbeek. De volgende drie decennia, tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, opende het bedrijf ruim 700 filialen. Na de oorlog ging Delhaize door op zijn elan. Tijdens de crisis van de jaren dertig creëerde het Derby, een gamma discountproducten. Kort na de Tweede Wereldoorlog sloot de onderneming het merendeel van haar fabrieken en werd het huismerk voortaan geproduceerd door leveranciers. In 1957 creëerde Delhaize, in navolging van de Amerikaanse supermarkets, de eerste supermarkt in België. Minerva werd opgericht door de Amsterdammer Sylvain de Jong. Nadat hij was verhuisd naar Antwerpen, begon hij in 1895 samen met zijn broers Henri en Jacques en enkele Antwerpse handelaars fietsen te maken. In 1897 lanceerde Sylvain zijn eigen bedrijf, met Minerva als merknaam. Vanaf 1900 produceerde Minerva ook motorfietsen, die al snel wereldwijd werden verkocht. Vier jaar later volgde de productie van auto's. In 1911 was Minerva al uitgegroeid tot de grootste fabriek van België met 1600 personeelsleden. Leden van koningshuizen, filmsterren en grote bedrijfsleiders waren er klant. De productie van auto's ging ten koste van de motorfietsen. De productie ervan werd in 1908 stilgelegd. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de Minerva-fabriek leeggeroofd, maar na de oorlog kon het bedrijf opnieuw starten. De jaren twintig waren ook voor Minerva de gouden jaren. Het bedrijf had meer dan 6500 werknemers. Maar Minerva ging ten onder aan de economische recessie van de jaren dertig en fuseerde met een ander Belgisch automerk, Imperia. Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte de Duitse bezetter de fabrieken van Minerva in Mortsel voor de opslag en de fabricage van vliegtuigonderdelen. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Nieuwe Maatschappij Minerva opgericht. Die bouwde onder meer in licentie licht aangepaste terreinwagens van Land Rover in opdracht van het Belgische leger. In de jaren vijftig bouwde ze nog MV Agusta-scooters in licentie, maar daarmee was het liedje van Minerva uitgezongen. De Regie voor Maritiem Transport (RMT) werd in 1846 opgericht en kende dat jaar de eerste officiële overtocht tussen België en het Verenigd Koninkrijk. De ferryboten van RMT werden ingezet in beide wereldoorlogen. Zo evacueerde het schip Jan Breydel vroeg in de Eerste Wereldoorlog de Belgische koningin Elisabeth en haar kinderen. Nadien volgde de evacuatie van diplomaten, troepen en belangrijke ambtenaren. Een schip viel in Duitse handen en een ander leed schipbreuk in oktober 1914 toen het met 650 gewonde soldaten aan boord het Normandische vissersdorp Barfleur probeerde te bereiken. In de Tweede Wereldoorlog werden de schepen van RMT opgenomen in de Royal Navy. Na de oorlog werden de overblijvende schepen teruggegeven aan RMT. In 1949 werd de eerste car ferry in gebruik genomen. Het bedrijf ging ten onder in 1997, enkele jaren na de opening van de Kanaaltunnel. Jero was de eerste volwaardige vliegtuigfabriek van België. Het bedrijf was een dochteronderneming van de Antwerpse firma Bollekens die zonneblinden en rolluiken produceerde. In 1909 werd de eerste Antwerpse vliegweek georganiseerd, een groots opgezette vliegshow met luchtvaartpioniers. Een van hen, baron Pierre de Caters, de houder van het eerste Belgische vliegbrevet, beschadigde zijn vliegtuig en vroeg de broers Eugène, Isidore en Joseph Bollekens, zonen van een van de stichters, om het tuig te repareren. Het vormde voor de Bollekens de aanzet voor een eigen vliegtuigfabriek. De vliegtuigen van Jero kregen al snel erkenning en ook het Belgische leger had interesse. Het parlement kon echter niet kiezen tussen Jero en de andere aanbieder, Henri Farman. Zij besloot uiteindelijk dat beide maar moesten samenwerken. Bij aanvang van de Eerste Wereldoorlog bezaten vier escadrilles Farman-Jero's. In oktober 1914 gaf het Belgische leger Antwerpen op en moest ook Jero evacueren. Met vliegtuigen, materieel en personeel kwamen ze terecht in Calais, waar de technische dienst van het Belgische leger was gevestigd onder leiding van Georges Nélis. In 1916 werd het contract door het leger plotseling ontbonden omdat het geen burgers wilde inzetten. Na 80 toestellen te hebben gebouwd, lag de Bollekens-fabriek volledig stil en het gekwalificeerde personeel vertrok naar Franse en Engelse fabrieken. Het betekende een enorme aderlating voor de Belgische luchtvaartindustrie. Na de oorlog keerden de broers terug naar Antwerpen, waar alles door de Duitsers was vernield. Eugène ging verder in rolluiken en Isidore startte met een garage. Koninklijke Buskruitfabriek Cooppal werd in 1778 in Wetteren opgericht door Jan Frans Cooppal. Cooppal genoot al snel wereldfaam met de aanmaak van buskruit en ether. Hoewel de fabriek tijdens de Eerste Wereldoorlog door de Duitsers werd ontmanteld, kon ze na de oorlog heropstarten. In 1930 begon het bedrijf met de vervaardiging van nitroglycerine. In de hoogtijdagen werkten er 600 mensen. In 1969 ging het bedrijf op in de Poudreries Réunies de Belgique (PRB), een dochter van de Generale Maatschappij van België. PRB veranderde later van naam en werd Omnichem, dat eind jaren tachtig werd verkocht aan het Japanse Ajinomoto. De Ateliers de la Dyle werden in 1866 in Leuven opgericht als de Société en Commandite A. Durieux. De firma maakte spoormaterieel, trams, draaischijven, hijstoestellen, kranen, bruggen en staalconstructies, waaronder de serres van het kasteel van Laken. In 1879 fuseerde het met de scheepswerf Société des Chantiers de Bacalan uit Bordeaux. Samen vormden ze de SA de Travaux Dyle et Bacalan. In 1902 werd de SA Belge Métallurgique de fabrication des Corps Creux overgenomen en ging de firma zich ook met automobielbouw bezighouden. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog telde de fabriek in Leuven 2500 werknemers en werd er geëxporteerd naar Brazilië, Spanje en Zuid-Afrika. Tijdens de oorlog brandde de firma af en in 1928 werd ze opgesplitst. Het Belgische deel heette vanaf dan weer Ateliers de la Dyle, dat nogmaals in de as werd gelegd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het werd in 1962 een onderdeel van Ateliers Belges Réunis en produceerde naast spoormaterieel ook caravans. De productie stopte in 1975. Het textielbedrijf Société Linière La Lys werd in 1838 opgericht en begon met het vervaardigen van mechanisch gesponnen vlasdraad en hennepdraad. In 1892 was het de eerste Gentse fabriek die volledig elektrisch werkte. Aan het begin van de twintigste eeuw telde de fabriek bijna 3000 werklieden, onder wie 2000 vrouwen. Het bedrijf kwam net als vele textielbedrijven de crisissen na de Eerste Wereldoorlog niet te boven en stopte definitief in 1960. Vier jaar later werden de gebouwen gesloopt. Toen tegen het einde van de negentiende eeuw werd begonnen met de aanleg van het Boudewijnkanaal en de Haven van Zeebrugge, trok dat industrie aan. Zo werd in 1900 gestart met de bouw van een cokesfabriek, waar Engelse steenkool werd verwerkt tot cokes voor de staalindustrie in het Ruhrgebied en in Elzas-Lotharingen. De initiator was de Duitse firma Moselhütte AG, maar de uiteindelijke eigenaar was Solvay, dat de Usine des fours à Cokes de Zeebruges bouwde. In 1905 werd de fabriek verkocht aan Rombacher Hüttenwerke. Na de Eerste Wereldoorlog werd de fabriek, toen Duits bezit, onteigend. Ze kwam in handen van de SA Solvay-Piette en de naam werd gewijzigd in Fours à Coke de Zeebruges. De fabriek werd gemoderniseerd in 1930, en toen werd op hetzelfde terrein een munitiefabriek opgericht. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het bedrijf bezet door de Duitsers, en werd het zestien keer gebombardeerd door de geallieerden. Eind 1945 kon de productie hervatten. In 1975 fuseerde de cokesfabriek met die van Marly en Carbonisation Terre. De nieuwe maatschappij heette nv Carcoke en had Cockerill Sambre als grootste aandeelhouder. De fabriek sloot in 1996 en werd in 2002 gesloopt. BERT LAUWERSNa de Eerste Wereldoorlog ging Delhaize gewoon door op zijn elan. In 1916 werd het contract met Jero door het leger ontbonden.