eXtra informatie op www.trends.be
...

eXtra informatie op www.trends.be Op de website van Trends vindt u de volledige studie.Of nu de rentabiliteit, de dekkingsgraad van de schulden of de kaspositie van de Belgische bedrijven onder de scanner gaat, de diagnose is steeds dezelfde. De bedrijven doen het financieel steeds beter, ze zijn de jongste tien jaar nooit gezonder geweest (zie grafiek). "De gunstige conjunctuur is natuurlijk een motor achter de verbetering, maar de Belgische bedrijven zijn ook structureel gezonder geworden. Ze hebben een sanering achter de rug. De conditie stagneerde in 2005 door de slappere conjunctuur, maar de huidige heropleving moet de bedrijven opnieuw deugd doen," zegt Hubert Ooghe, buitengewoon hoogleraar bedrijfsfinanciering aan de Vlerick Leuven Gent Management School en de Universiteit Gent. Samen met collega Christophe Spaenjers onderzocht hij de jaarrekeningen van alle Belgische ondernemingen die een jaarrekening neerleggen (bijna 300.000 in 2004) over een periode van tien jaar. Graydon leverde de cijfers. In 2004 verdiende de helft van de bedrijven een return van ten minste 7,72 % op het eigen vermogen - het hoogste cijfer in tien jaar. Een kwart haalde zelfs een return van ten minste 25 %. Die aandeelhouders verdienen de eigen centen die ze in het bedrijf gestopt hebben dus op vier jaar terug. De grafiek toont dat de rentabiliteit op het eigen vermogen een golfbeweging is die de conjunctuur van het laatste decennium min of meer volgt. Van 1996 tot 2000 evolueren de resultaten in positieve zin. Daarna krijgen we een lichte terugval, maar in 2003 en 2004 is er sprake van een opmerkelijke remonte. Met een return van ten minste 7,7 % verdiende de helft van de bedrijven in 2004 een mooie premie in vergelijking met de risicovrije rente die een overheidsobligatie op tien jaar biedt (nu bedraagt die risicovrije rente ongeveer 4 %). Die bonus werkt stimulerend om te ondernemen, en ontmoedigt risicovrij rentenieren. Halfweg de jaren negentig was dat nog omgekeerd: beleggen in overheidsobligaties was rendabeler dan risico's nemen. De bedrijven zijn niet alleen winstgevender, ze stonden de voorbije tien jaar financieel ook nooit steviger in hun schoenen dan in 2004. Zit er in de solvabiliteit (gemeten als de verhouding tussen eigen vermogen en totaal vermogen) niet veel beweging, dan valt het wel op dat de dekking van het vreemd vermogen door de cashflow toenam. Die dekkingsratio is de indicator bij uitstek om de schuldaflossingscapaciteit van een onderneming te meten. De helft van de bedrijven haalt een dekkingsgraad van ten minste 13,11 %, wat concreet betekent dat die ondernemingen het totaal vreemde vermogen op minder dan acht jaar kunnen terugbetalen (op voorwaarde dat de cashflow constant blijft). Een kwart van de bedrijven kan zelfs op drie jaar of minder alle schuldeisers terugbetalen. De zwakste 25 % heeft een halve eeuw of meer nodig om het vreemd vermogen af te lossen. Iets meer dan 20 % van de ondernemingen heeft zelfs een negatieve cashflow en heeft dus geen aflossingscapaciteit. Opvallend: de jongste bedrijven doen het opmerkelijk beter dan de oudere. Dat was vroeger niet het geval. Hubert Ooghe: "Starters hechten nu een groter belang aan een goed businessplan, terwijl men vroeger vaker op goed geluk aan een onderneming begon. Alleen inzake solvabiliteit scoren de starters nog iets zwakker, wat normaal is, omdat ze nog maar een beperkt aantal jaren winst hebben kunnen maken. Het slaagpercentage van de starters stijgt. De vraag dringt zich dan ook op of starters nog veel overheidssteun nodig hebben."De studie bevestigt ook dat de Vlaamse bedrijven het beter doen dan de Waalse en vooral de Brusselse. Hubert Ooghe & Christophe Spaenjers, De financiële toestand van de Belgische ondernemingen 2006. Vlerick Leuven Gent Management School en Vakgroep Accountancy en Bedrijfsfinanciering, Faculteit Economie en Bedrijfskunde, Universiteit Gent, april 2006.Daan Killemaes