PAUL BUYSSE VERGELIJKT.
...

PAUL BUYSSE VERGELIJKT."Economisch België is dof, inteelterig en stikt onder een dikke laag watten. Geen enkele internationale bedrijfsleider die kan cijferen, wil hier nog een nieuwe fabriek bouwen. Het is betreurenswaardig dat Louis Tobback de ondernemers verwijt 15 % winst op hun omzet na te streven. Tobback getuigt van kortzichtigheid en weet niet wat er in de wereld gebeurt. Het Belgische bestel al die sociale partners, al die politici gaat kapot aan zijn zelfgenoegzaamheid. De recessie die we binnenstappen, houdt de kiemen in van een Belgische implosie, de KMO's zullen de eerste klappen opvangen, sommige van hen zijn uitgemergeld tot op het been. Mijn dochter studeert sedert kort psychologie in Californië, zij stelt zich nu al de vraag waarom ze zou terugkeren, ik begrijp haar," zucht Paul Buysse, Vlaming, Antwerpenaar én executive director (één van de zes toplui) van het Britse wereldconcern BTR, de grootste industriële onderneming van het Verenigd Koninkrijk. Het Executive Committee bestaat uit twee Britten, één Vlaming, één Ierse, één Amerikaan, één Australiër. BTR heeft honderden dochters op de vijf kontinenten, 125.000 medewerkers, een omzet van 10 miljard pond en een return on capital van 29,5 procent. Aan de Uitbreidingsstraat, op twintig meter van de autoweg naar Zaventem en Schiphol (hij reist 70 % van zijn tijd), betrekt Paul Buysse twee etages voor BTR, de cockpit voor het toezicht op zijn Region. Haar naam is eenvoudig, het organogram dat hij openplooit draagt de hoofding Paul Buysse Region : 385 ondernemingen, 30.000 medewerkers, 1,6 miljard pond omzet (16 % van de concernomzet). De helft van zijn medewerkers zijn Britten, en die werken voor het leeuwendeel in de Midlands, het bolwerk van het Britse industriële leven rond York, Leeds, Bradford, Derby, Nottingham en Sheffield. De orde en netheid zijn er voorbeeldig, getuigt Paul Buysse : "De housekeeping is geen probleem, je ziet dat de mensen fier zijn op hun fabriek en hun producten. Heel wat anders dan in het Duitse Hamele bijvoorbeeld, waar ik in '91 een bedrijf overnam : eer we dáár enige Sauberkeit hadden, heeft me dat veel, veel geld gekost. Negentig procent van de BTR-bedrijven in de Midlands hebben een Iso 9000-certificaat. Op dit ogenblik zijn de Britten betere industriëlen dan de Duitsers. Ik heb geen aanduidingen dat dit snel zal veranderen. In februari jl. hebben we op een intern seminarie in Frankfurt de prestaties van de Duitse BTR-dochters gemeten aan de prestaties van BTR-Wereldwijd en de algemene industrieel-economische situatie van Duitsland aan de Britse industrieel-economische situatie. Buiten Duitsland is de rentabiliteit en de productvernieuwing superieur."... "Of we d'r op vooruitgaan in het Verenigd Koninkrijk ? Dat zou ik geloven. In het midden van de jaren '70 werkte ik voor British Leyland. Dat was de tijd van de grote concentraties in de Britse autonijverheid. Groot-Brittannië was op sterven na dood. Leyland moest onderhandelen met 52 vakbonden. Ik ben daar toen weggelopen. In 1996 is de situatie totaal omgekeerd. De Britten zien zichzelf als een belangrijke schakel in de internationale industrie. De Britse industrie heeft veel sneller dan gelijk welke Europese nijverheid het nodige gedaan om internationaal te overleven. Competitiveness is het sleutelwoord. In '85-'87 ging 0,5 tot 1 % van de omzet naar productontwikkeling, nu is het gemiddeld 2 tot 2,5 % met pieken zoals bij Hansen Transmission in Edegem van 7 procent. Het gemiddelde moet nog omhoog." Vier elementen vindt Buysse symbolisch voor de omslag : vandaag staat de eerste generatie die de Commonwealth niet meer als een verbrede thuismarkt aanziet én een veiligheidsnet onder de Britse afzet in de kantoren en de fabrieken, de wereld is haar actieveld ; het hoger onderwijs leidt de jeugd op tot wereldburgers ("Waren de Vlamingen maar zo ! De Britten zijn overal thuis, integreren zich en blijven toch zichzelf.") ; de ministeries en de diplomaten steunen de industrie enorm ("In Britse ambassades kan je terecht bij bekwame, gemotiveerde personeelsleden, daar heerst niet de ondergangsstemming van Belgische ambassades.") ; de meeste bedrijven investeren ("Ze zijn vijf of meer jaren bezig") in de globalisering van hun productontwikkeling, productie, verkoop en distributie. "De kost van de productie is bij die globalisering ontzettend belangrijk," getuigt Paul Buysse. Hij houdt jaarlijkse budget reviews met zijn directeuren. "Beeld je in dat de man van Maleisië in '93 een investeringsproject had ingediend en het niet uitgevoerd kreeg in dat jaar, in '94 stond het niet meer in zijn jaarplanning. Toen ik vroeg waarom, antwoordde hij zonder aarzelen, mister Buysse, don't invest anymore in Malaysia, costs are too high. There are cheaper places to invest in. En dat voor een land dat in onze ogen alle troeven heeft om een low cost producer te zijn." Paul Buysse spande zich in om een fabriek uit Italië die dicht moest en een nieuwe Europese lokatie zocht in Vlaanderen te krijgen. Er waren 4 kandidaten Zwitserland, Zweden, België en Groot-Brittannië : "Op de eindlijst stonden België en Groot-Brittannië, maar de totale kosten dus niet enkel de arbeidskosten waren 34 % lager in Groot-Brittannië. Bedenk wat die 34 % aan extra-ruimte geeft om een product te vervaardigen en te verkopen met een ernstige marge. Dat is toch het doel. De fabriek opende haar deuren over de Noordzee." De Britten hebben hun vakbonden getemd : "Waanzinnige zaken als de 52 vakbonden die kibbelen, saboteren en hetzen zoals bij British Leyland bestaan niet meer. Binnen de bedrijven, op de werkvloer is er een jarenlange ontspanningspolitiek die zijn vruchten afwerpt. Als de BTR-fabriek voor elektromotoren in Yorkshire door zaterdagwerk of zondagwerk een bestelling en dus omzet en levenskansen kan afronden, dan gebeurt dat, na overleg tussen de plaatselijke bonden en de directie. Probeer dat hier maar eens. Het dak stort in. Al die bonzen die ver van de fabriek hun onrealistisch CAO'tje, met rechtsgeldigheid van 3 jaar en meer verdedigen, zouden zich wel eens gepasseerd kunnen voelen. In een wereld met nieuwe spelers is dagelijkse, wekelijkse soepelheid noodzakelijk." De grote kritiek is dat het Verenigd Koninkrijk afglijdt naar een lagelonenland met een overdaad aan temporary jobs. Paul Buysse : "De levensstandaard en het aanvoelen van de levensstandaard is cultureel en historisch bepaald. Als ik het wagenpark van de Britse BTR-medewerkers bekijk, hun vakantiebestemmingen, hun bestedingen voor de studies van hun kinderen, heb ik absoluut niet de indruk dat ze proletariseren, zoals linkse klagers beweren. Structureel kan de Britse economie geen lageloneneconomie worden, je hebt steeds meer behoefte aan knappe, goedgeschoolde mensen. Die verleid je niet met hongerlonen. Het is geen antwoord op de opmerking, maar, in België heb ik de indruk dat we met een groeiend aantal geblaseerde, overbetaalde werknemers zitten. Ze gaan hier nog wat meemaken. Ik was onlangs in India. Daar weigeren ze onze oude machines nog onder licentie te maken. Ze willen de nieuwste types of ze sturen je weg. Je ziet honderden goede Indiase ingenieurs die perfekt Engels spreken en 1350 Belgische frank per maand verdienen nijver op hun gedateerde pc'tjes nieuwe programmatuur schrijven. Ze willen vooruit, ze willen leren. Louis Tobback zou volgende maal eens mee moeten reizen. Zal die opschrikken." De Britse industrie investeert niet in skills, zeggen de verdedigers van het Duitse of het Rijnland-model. Paul Buysse lacht en neemt de signataires die op hem wachten na een dienstreis van 14 dagen in de VS. De twee bovenste stukken zijn uitnodigingen aan de kaderleden en bedienden voor bijscholingscursussen over mundialisering en financiële technieken : "Ze liggen niet doortrapt klaar om ze aan Trends te tonen. Wij en we volgen de algemene trend in Groot-Britannië investeren wel in vaardigheden. Een wereldland bouw je niet op met knoeiers." PAUL BUYSSE (BTR) Het is betreurenswaardig dat Louis Tobback de ondernemers verwijt 15 % rendement te zoeken op hun omzet. Hij kent niets van het zakenleven.