HET KRIJGT NIET de aandacht die het verdient, maar de Nationale Bank signaleert dat de Belgische lopende rekening, of ons betalingsverkeer met het buitenland, de volgende jaren vrij stevig in het rood gaat. Dat is best alarmerend. Je kunt het vergelijken met een gezin dat meer geld uitgeeft dan er binnenkomt. Dat tekort moet worden bijgepast door het spaarboekje aan te spreken of door geld te lenen. België zit in hetzelfde schuitje. Het oplopende tekort op de lopende rekening moet worden gefinancierd met buitenlandse leningen of door de spaarreserves aan te spreken. We leven dus op de poef van het buitenland. Nog anders gezegd: België leeft boven zijn stand.
...

HET KRIJGT NIET de aandacht die het verdient, maar de Nationale Bank signaleert dat de Belgische lopende rekening, of ons betalingsverkeer met het buitenland, de volgende jaren vrij stevig in het rood gaat. Dat is best alarmerend. Je kunt het vergelijken met een gezin dat meer geld uitgeeft dan er binnenkomt. Dat tekort moet worden bijgepast door het spaarboekje aan te spreken of door geld te lenen. België zit in hetzelfde schuitje. Het oplopende tekort op de lopende rekening moet worden gefinancierd met buitenlandse leningen of door de spaarreserves aan te spreken. We leven dus op de poef van het buitenland. Nog anders gezegd: België leeft boven zijn stand. TEGEN 2022 loopt het tekort op de lopende rekening op tot 2,3 procent van het bruto binnenlands product (bpp), verwacht de Nationale Bank. Dat is een onrustwekkende trendbreuk, want de voorbije jaren was de lopende rekening grotendeels in evenwicht. Daarbij hoort een belangrijke nuance. Het spaaroverschot van de private sector financierde het begrotingstekort van de overheid. De bedrijven en de gezinnen leefden dus onder hun stand, de overheid boven haar stand. Maar vanaf volgend jaar zal het spaaroverschot van de bedrijven en de gezinnen niet meer volstaan om het oplopende begrotingstekort te financieren. België volgt op die manier het Franse economische model. De economie wordt gedragen door private consumptie en stijgende overheidsuitgaven, gedeeltelijk gefinancierd met buitenlands kapitaal. In de eurozone kampen enkel Frankrijk en Griekenland met zo'n tekort op de lopende rekening. ER IS NOG GEEN MAN overboord, omdat België een ruim spaartegoed in het buitenland heeft opgebouwd, ter waarde van ongeveer 50 procent van het bbp, of meer dan 200 miljard euro. Vooral in de jaren negentig leefde België onder zijn stand. Het herstelbeleid baarde grote overschotten op de lopende rekening. Maar het land kon die oefening onvoldoende lang volhouden, en beperkte zich het voorbije decennium tot een evenwicht. Die lat ligt vanaf nu te hoog. Bij ongewijzigd beleid worden de reserves versneld aangesproken, wat de Belgische economie alleen maar kwetsbaarder maakt voor tegenslag. Aangezien de vergrijzing nog op kruissnelheid moet komen, is het veel te vroeg om onze buitenlandse spaarpot nu al te kraken. DE LOPENDE REKENING krijgt vooral klappen door verslechterende handelsprestaties. De Belgische import stijgt al enkele jaren sneller dan de export. Die tendens zet door richting 2022. De stijgende koopkracht stuwt de invoer, maar tegelijk remmen de stijgende loonkosten de uitvoer af, wat vreet aan de concurrentiekracht van de bedrijven. Het is tekenend dat onze export minder snel stijgt dan de omvang van de exportmarkten. De Belgische bedrijven verliezen dus verder marktaandeel. HEBBEN DE loonmatiging en de taxshift, de paradepaardjes van het beperkte herstelbeleid van de regering-Michel, de concurrentiekracht van de bedrijven dan niet hersteld? De voorbije weken ontstond ophef omdat de zuinige belastingverlaging, die ingebed lag in de taxshift, zou zijn gevloeid naar hogere bedrijfswinsten en niet naar een verbetering van de concurrentiekracht. Dat verdient nuance. De bedrijven die vooral leven van de export, en dus blootgesteld zijn aan de internationale concurrentie, investeerden de lastenverlaging in lagere exportprijzen. De taxshift versterkte dus onze concurrentiekracht. Daartegenover staat dat de bedrijven die grotendeels leven van dienstverlening op de binnenlandse markt hun prijzen minstens peil hielden. Zij vertaalden de lagere lasten dus in hogere brutomarges. Dat deden ze omdat ze dat konden, bij gebrek aan binnenlandse concurrentie. De taxshift legt op die manier een oud zeer van de Belgische economie bloot. Op heel wat dienstenmarkten is er te weinig concurrentie door een overdaad aan regelgeving en corporatisme. Het kan geen kwaad dat de volgende federale regering de concurrentiekracht verdedigt en de binnenlandse markt opengooit. Voor België is het te vroeg om boven zijn stand te leven.