In haar zoektocht naar extra middelen voor de schatkist heeft de regering-Di Rupo de belasting op roerende inkomsten begin dit jaar opgetrokken. De fiscaliteit van de roerende inkomsten is een ingewikkeld kluwen geworden. Naast de verhoging van de roerende voorheffing van 15 naar 21 procent, werd een bijkomende belasting van 4 procent ingevoerd voor wie per jaar meer dan 20.020 euro aan roerende inkomsten ontvangt - de zogenoemde rijkentaks. Bepaalde inkomsten - als dividenden en de intresten van een spaarboekje boven 1830 euro per persoon - tellen wel mee om te berekenen of een belastingplichtige boven de grens van 20.020 euro uitkomt, terwijl die niet worden onderworpen aan de extra heffing van 4 procent.
...

In haar zoektocht naar extra middelen voor de schatkist heeft de regering-Di Rupo de belasting op roerende inkomsten begin dit jaar opgetrokken. De fiscaliteit van de roerende inkomsten is een ingewikkeld kluwen geworden. Naast de verhoging van de roerende voorheffing van 15 naar 21 procent, werd een bijkomende belasting van 4 procent ingevoerd voor wie per jaar meer dan 20.020 euro aan roerende inkomsten ontvangt - de zogenoemde rijkentaks. Bepaalde inkomsten - als dividenden en de intresten van een spaarboekje boven 1830 euro per persoon - tellen wel mee om te berekenen of een belastingplichtige boven de grens van 20.020 euro uitkomt, terwijl die niet worden onderworpen aan de extra heffing van 4 procent. De banken houden de roerende voorheffing in op de dividenden en de intresten die ze betalen aan hun cliënten. Om de 4 procent belasting op roerende inkomsten boven 20.020 euro te kunnen invorderen, zijn ze verplicht aan de fiscus te melden hoeveel dividenden en intresten ze uitkeren. Een belastingplichtige kan dat vermijden door aan zijn bank de opdracht te geven om meteen, vanaf de eerste euro, 4 procent extra belasting in te houden. Maar paradoxaal genoeg moeten banken bepaalde roerende inkomsten altijd opgeven aan de fiscus. Dat geldt onder meer voor dividenden die onderworpen zijn aan 25 procent roerende voorheffing en voor de belastbare rente op spaarboekjes boven de vrijgestelde schijf van 1830 euro. Het bevrijdende karakter van de roerende voorheffing is afgeschaft. In de plaats werd voor roerende inkomsten een algemene aangifteplicht ingevoerd. Enkele uitzonderingen niet te na gesproken moeten belastingplichtigen de intresten en de dividenden die ze in 2012 ontvangen, opgeven in hun fiscale aangifte, zelfs al is de roerende voorheffing op die inkomsten al ingehouden. Op de aangegeven roerende inkomsten zijn geen bijkomende gemeentebelastingen verschuldigd. Veel beleggers worden afgeschrikt door die nieuwe regels. Toch zijn er beleggingen die nog altijd een fiscaal streepje voor hebben. Bij de hervorming van de roerende voorheffing heeft de regering-Di Rupo het gereglementeerde spaarboekje grotendeels buiten schot gelaten. De eerste schijf van 1830 euro aan intresten per jaar blijft belastingvrij. Die schijf telt ook niet mee om de grens van 20.020 euro te bepalen en ze wordt door de bank niet meegedeeld aan de fiscus. U hoeft de intresten onder de 1830 euro niet op te geven in uw belastingaangifte. Hebt u meer dan 1830 euro intresten per jaar op uw spaarboekje, dan betaalt u op het surplus 15 procent roerende voorheffing. Met dat surplus wordt wel rekening gehouden bij de berekening van de roerende inkomsten tot 20.020 euro. De bank geeft het deel van de intresten boven 1830 euro aan de fiscus aan. U moet dat bedrag ook opgeven in uw belastingaangifte. Via een tak21 belegt u kapitaal in een verzekeringscontract. De premies leveren geen fiscaal voordeel op, maar u hebt wel een vast rendement, plus een eventuele bonus in de vorm van een winstdeelneming. Er zijn ook tak21-contracten zonder gewaarborgd rendement, met enkel een winstdeelneming - de zogenoemde 0 procentcontracten. In beide gevallen hebt u hoe dan ook een kapitaalgarantie. De kapitalen en de afkoopwaarden van tak21-verzekeringen blijven belastingvrij, op voorwaarde dat de looptijd langer is dan acht jaar en de uitkering gebeurt na acht jaar en een dag. Ook als de polis voorziet in een overlijdensdekking van 130 procent van de gestorte premies en de verzekerde tegelijk de begunstigde bij leven is, zijn de kapitalen en de afkoopwaarden belastingvrij. Op de gestorte premies moet een verzekeringsbelasting van 1,1 procent worden betaald en de premies worden vaak ook afgeroomd door instapkosten. Bij een uitkering binnen de acht jaar, bent u op de intresten een roerende voorheffing van 21 procent verschuldigd. Via een tak23 belegt u in een fonds in de vorm van een levensverzekeringscontract. Meestal zijn het klassieke, open fondsen zonder vervaldag - bijvoorbeeld aandelen- en obligatiefondsen - waarvan het rendement niet op voorhand bekend is. Maar u kunt via een tak23 ook investeren in een gesloten fonds dat belegt in obligaties en een vaste einddatum heeft. De jaarlijkse opbrengsten worden gekapitaliseerd en via een eenmalige coupon uitgekeerd op de eindvervaldag. U hebt dus een morele garantie op een minimumrendement dat u ontvangt boven op uw netto belegd kapitaal, na aftrek van de kosten. Als op de einddatum bepaalde voorwaarden zijn vervuld - de langetermijnrente moet bijvoorbeeld een bepaald niveau bereiken - kan het rendement hoger uit- vallen. Op de gestorte premies worden een verzekeringsbelasting van 1,1 procent en eventuele instapkosten ingehouden. Het rendement is niet onderworpen aan roerende voorheffing. Bij een tak23 gekoppeld aan een gesloten fonds geldt wel een voorwaarde voor die belastingvrijstelling. Op de uitgekeerde meerwaarde is geen roerende voorheffing verschuldigd als de reserve van de tak23 minstens acht jaar en een dag na de storting van de premie wordt uitgekeerd. Gebeurt dat vroeger, dan is de meerwaarde onderworpen aan 21 procent belasting. Lange tijd werd gevreesd dat de regering-Di Rupo een meerwaardebelasting op aandelen zou invoeren. Dat is niet gebeurd, zodat beleggers hun winst op aandelen nog altijd belastingvrij kunnen ontvangen. Maar daarvoor moeten enkele voorwaarden zijn vervuld. Enkel een meerwaarde die voortkomt uit verrichtingen die niet speculatief zijn en vallen onder het normale beheer van een privévermogen, geniet een fiscale vrijstelling. Daytraders riskeren te worden belast op hun beurswinsten tegen 33 procent (plus de gemeentebelasting). Wie van beleggen zowat zijn beroep maakt, betaalt zelfs tot 50 procent op zijn beurswinsten (plus de gemeentebelasting). Beursverliezen zijn fiscaal niet aftrekbaar. Op dividenden van individuele aandelen betaalt u 25 procent roerende voorheffing, zoals vroeger. Nieuw is dat dividendinkomsten door de bank worden gemeld aan de fiscus. U moet ook die voortaan opgeven in uw belastingaangifte. Op de coupon van een obligatie betaalt u voortaan 21 procent roerende voorheffing. Maar u kunt die belastbare coupons omzetten in een onbelaste meerwaarde door een vervroegde arbitrage van uw obligatie. Dat betekent dat u een lopende obligatie verkoopt voor de eindvervaldag en het vrijgekomen kapitaal plus de intresten herinvesteert in een andere obligatie uitgegeven a pari (tegen 100 %), of het op een effectenrekening zet tot de vervaldag van de oorspronkelijke obligatie. De lage rente heeft de prijs van oude obligaties flink doen stijgen. Een arbitrage levert fiscale winst op, zodra een lopende obligatie boven de 110 procent noteert. Jean-Marc Michelet, obligatiespecialist van Eurinvest Partners, geeft het volgende voorbeeld. Stel dat u enkele jaren geleden voor 100.000 euro een obligatie van Roche hebt gekocht met eindvervaldag op 4 maart 2016 en een jaarlijkse brutocoupon van 5,625 procent. Op die coupons is 21 procent roerende voorheffing verschuldigd. Eind september 2012 noteerde deze obligatie tegen 115,84 procent. Als u de obligatie tot het eind bijhoudt, krijgt u een nettobedrag aan kapitaal plus intresten van 117.775,625 euro (zie tabel Vervroegde arbitrage van een obligatie). Als u de obligatie op 28 september 2012 - dus na 213 dagen en voor de eindvervaldag - verkoopt tegen 115,84 procent, krijgt u 115.840 euro uitbetaald, plus de verlopen intresten van 3282,534 euro. U betaalt daarop 21 procent roerende voorheffing of 689,332 euro, zodat er netto 2593,2 euro overblijft. In totaal krijgt u 118.433,2 euro. U zet dat geld op een effectenrekening met een bruto-intrest van 1,30 procent per jaar tot de oorspronkelijke eindvervaldag van 4 maart 2016. Aan het eind ontvangt u een nettobedrag van 123.824,24 euro (zie tabel). De vervroegde arbitrage van de obligatie levert dus een winst van 5,13 procent op. Dat komt vooral doordat de obligatie op het moment van de vervroegde verkoop noteerde tegen een meerwaarde van 15,84 procent, die niet wordt belast. JOHAN STEENACKERSBeleggers kunnen hun winst op aandelen nog altijd belastingvrij ontvangen. Maar alleen niet-speculatieve transacties genieten een fiscale vrijstelling.