Over de mate waarin werknemers vrijstelling van belasting kunnen genieten als de werkgever een deel betaalt van de kosten van het woon-werkverkeer, bestaat heel wat verwarring. Die onduidelijkheid spruit onder meer voort uit de wetswijziging die onlangs naar aanleiding van de hervorming van de personenbelasting is doorgevoerd. Ook de verwarrende berichten die de administratie de wereld heeft ingestuurd dragen bij tot de chaos.
...

Over de mate waarin werknemers vrijstelling van belasting kunnen genieten als de werkgever een deel betaalt van de kosten van het woon-werkverkeer, bestaat heel wat verwarring. Die onduidelijkheid spruit onder meer voort uit de wetswijziging die onlangs naar aanleiding van de hervorming van de personenbelasting is doorgevoerd. Ook de verwarrende berichten die de administratie de wereld heeft ingestuurd dragen bij tot de chaos.In de nieuwe wettelijke regeling, die van toepassing is vanaf het aanslagjaar 2002, ziet de vrijstelling er als volgt uit (de specifieke regeling voor fietsvergoedingen laten we even buiten beschouwing): de financiële bijdrage is volledig vrij als ze besteed wordt aan kosten van het openbaar gemeenschappelijk vervoer (trein, tram, bus, metro). De bijdrage is ook vrij als ze besteed wordt aan collectief door de werkgever georganiseerd vervoer, maar de vrijstelling is hier beperkt tot een bedrag dat ten hoogste gelijk is aan de kostprijs van een treinabonnement in eerste klasse voor dezelfde afstand. De vrijstelling is beperkt tot 150 euro per jaar bij verplaatsingen die met een ander vervoermiddel gebeuren. Al die vrijstellingen gelden slechts als de werknemer voor de aftrek van zijn beroepskosten genoegen neemt met het wettelijk forfait en hij dus geen hogere werkelijke beroepskosten bewijst. Met zijn tweetjes. Helaas weet blijkbaar niemand hoe de nieuwe regeling geïnterpreteerd moet worden. Zelfs de administratie heeft het er moeilijk mee. Begin februari 2002 publiceerde ze in het Belgisch Staatsblad een bericht over de wijze waarop de werkgeversbijdrage voortaan op de individuele loonfiches vermeld moet worden. Wie dat bericht heeft willen ontcijferen, had zich die moeite kunnen besparen. Enkele weken later werd de toelichting al ingetrokken. Na een radiostilte van een aantal dagen verschenen op de website van het ministerie nieuwe richtlijnen. Nu blijkt dat het probleem zich concentreert op de situatie waarin de werkgever bijdraagt aan de kosten van het woon-werkverkeer en hij (of een groep werkgevers) zelf gemeenschappelijk vervoer organiseert. Volgens de nieuwe richtlijnen wil de fiscus een zeer ruime betekenis geven aan zo'n collectief vervoer. Van gemeenschappelijk georganiseerd vervoer is voortaan sprake zodra een werkgever (of een groep werkgevers) zo'n vervoer organiseert met een voertuig dat "geschikt is voor het vervoer van ten minste twee personen". De werkgever kan het vervoer met eigen middelen organiseren of via een maatschappij voor personenvervoer. Het vervoer hoeft dus niet te gebeuren met autobussen of minibussen. Het kan ook met personenwagens, zelfs met motorfietsen die de werkgever ter beschikking stelt.Voordeel. Hoe beschouwt de administratie de fiscale behandeling van deze bijdrage aan het woon-werkverkeer? De richtlijnen zijn niet bepaald duidelijk. Blijkbaar maakt de fiscus een fundamenteel onderscheid tussen twee soorten voordelen. Primo: het voordeel dat voortvloeit uit het feit dat de werkgever gemeenschappelijk vervoer voor het woon-werkverkeer organiseert. Secundo: het voordeel dat voortvloeit uit het feit dat de werkgever de betrokken werknemers, in geld of in natura, ook een verplaatsingsvergoeding betaalt. Het eerste punt, het organiseren van gemeenschappelijk vervoer op zich, is een sociaalvoordeel. Dat blijft belastingvrij, ongeacht of de werknemer wel of geen genoegen neemt met het wettelijk kostenforfait. Een werknemer die de bedrijfsbus neemt, wordt op dat voordeel niet belast. Hetzelfde geldt voor een werknemer die meerijdt met een collega aan wie naar aanleiding van het collectief door de werkgever georganiseerd woon-werkverkeer een bedrijfswagen ter beschikking is gesteld. Verplaatsingsvergoeding. Anders is het voor de werknemer (chauffeur) die de bedrijfswagen effectief ter beschikking krijgt. Hij ontvangt daarmee immers een verplaatsingsvergoeding in natura. Waarop hij in principe belastbaar is. Tenzij hij voldoet aan de specifieke vrijstellingsvoorwaarden van werkgeversbijdragen in de kosten van het woon-werkverkeer. Hij heeft de verplaatsingsvergoeding (de wagen) ter beschikking gekregen naar aanleiding van het collectief door de werkgever georganiseerd vervoer. De vergoeding komt dan ook in aanmerking voor vrijstelling, maar ze blijft wel beperkt tot een bedrag dat gelijk is aan de kostprijs van een treinabonnement in eerste klasse. Bovendien geldt de vrijstelling alleen als de werknemer genoegen neemt met het wettelijk kostenforfait. Dezelfde oplossing geldt nu voor werknemers die gebruik maken van collectief door de werkgever georganiseerd vervoer en bovendien een verplaatsingsvergoeding in geld opstrijken. Die vergoeding in geld is in principe belastbaar. Maar als de werknemer voor de deelname aan het collectief georganiseerd vervoer een bijdrage moet betalen en hij daar de ingeld verkregen verplaatsingsvergoeding voor gebruikt, dan blijft deze vergoeding belastingvrij, alweer in de mate dat de bijdrage niet hoger is dan de kostprijs van een treinabonnement in eerste klasse én als de werknemer genoegen neemt met het wettelijk kostenforfait. Jan Van Dyck [{ssquf}]De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Een werknemer die de bedrijfsbus neemt, wordt op dat voordeel niet belast.