Bedrijfsleiders mogen zich met ingang van het aanslagjaar 2011 (inkomsten van 2010) verheugen in een niet-onaanzienlijke verhoging van de belastingdruk. Althans in die gevallen waarin zij hun werkelijke beroepskosten niet bewijzen. De wetgever besliste een dik jaar geleden het kostenforfait zoals dat op hen van toepassing is, drastisch te verlagen.
...

Bedrijfsleiders mogen zich met ingang van het aanslagjaar 2011 (inkomsten van 2010) verheugen in een niet-onaanzienlijke verhoging van de belastingdruk. Althans in die gevallen waarin zij hun werkelijke beroepskosten niet bewijzen. De wetgever besliste een dik jaar geleden het kostenforfait zoals dat op hen van toepassing is, drastisch te verlagen. Alle belastingplichtigen hebben recht op de aftrek van de uitgaven die zij gedaan of gedragen hebben om hun belastbare beroepsinkomsten te verkrijgen of te behouden. In principe is daarvoor vereist dat zij hun werkelijke beroepskosten bewijzen. Maar om tal van redenen heeft de wetgever daarnaast in een forfaitaire aftrek van beroepskosten voorzien. Die geldt, telkens wanneer de belastingplichtige zijn werkelijke beroepskosten niet bewijst, of wanneer de werkelijk bewezen beroepskosten lager zijn dan het kostenforfait. Niet alle belastingplichtigen hebben toegang tot het 'kostenforfait'. Vennootschappen zijn zonder meer uitgesloten. Als zij beroepskosten in rekening willen brengen, moeten zij de werkelijkheid en het bedrag ervan aantonen. Hetzelfde geldt voor exploitanten van een handels-, nijverheids-, of landbouwonderneming. Voor alle andere belastingplichtigen is wel in een forfaitaire kostenaftrek voorzien. Dus zowel voor werknemers als voor bedrijfsleiders, en beoefenaars van vrije beroepen en andere winstgevende bezigheden. Het kostenforfait verschilt wel naargelang van de categorie waartoe men behoort. Per categorie is een percentage vastgesteld. Bovendien geldt een absoluut plafond. Tot en met het aanslagjaar 2010 was dat plafond voor alle categorieën gelijk. Met ingang van het aanslagjaar 2011 heeft de wetgever beslist het plafond voor bedrijfsleiders te verlagen. Vandaag gelden dus twee plafonds: eentje van (na indexaanpassing) van 3590 euro voor werknemers en beoefenaars van vrije beroepen, en daarnaast een plafond van (ook na indexaanpassing) 2150 euro voor bedrijfsleiders. Het maximale kostenforfait dat ten aanzien van bedrijfsleiders van toepassing is, is dus 1440 euro lager dan bij de andere belastingplichtigen. In de uiteindelijke belastingafrekening scheelt dat een flinke slok op de borrel. Bovendien besliste de wetgever het percentage te verlagen dat ten aanzien van bedrijfsleiders van toepassing is. Tot en met het aanslagjaar 2010 bedroeg het 5 procent. Met ingang van het aanslagjaar 2011 bedraagt het nog slechts 3 procent. De combinatie van het verlaagde percentage en het verlaagde plafond, heeft tot gevolg dat de forfaitaire kostenaftrek bij alle bedrijfsleiders lager is dan voorheen. De regering meende voor deze vrijwel geruisloos doorgevoerde belastingverhoging een goede argumentatie te hebben: bedrijfsleiders (zaakvoerders en bestuurders van vennootschappen) laten hun beroepskosten in veel gevallen dragen door hun vennootschap. Dit maakt dat ze meestal zelf nog maar weinig beroepskosten hebben. Een hoge forfaitaire kostenaftrek heeft dan tot gevolg dat dezelfde kosten twee keer in aftrek worden gebracht: één keer in hoofde van de vennootschap die ze werkelijk heeft betaald, en nog een keer in hoofde van de bedrijfsleider die zijn werkelijke kosten niet bewijst, maar zijn toevlucht neemt tot het (tot vorig jaar nog hogere) kostenforfait. De regering zag daarin voldoende reden om het kostenforfait voor bedrijfsleiders te verlagen. Ondertussen is aan het Grondwettelijk Hof gevraagd, of de regeling niet discriminerend is. Maar het Hof ziet geen discriminatie. Het vindt de uitleg die de regering gegeven heeft steekhoudend: door hun leidinggevende rol zijn bedrijfsleiders, anders dan werknemers, meer in staat om kosten door hun vennootschap te laten dragen. De wetgever vermocht aldus het kostenforfait enkel bij hen te verminderen. En die vermindering heeft voor bedrijfsleiders geen onevenredige gevolgen. Als zij meer kosten hebben (dan het kostenforfait) kunnen zij, zoals alle andere belastingplichtigen, altijd hun werkelijke kosten bewijzen. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.JAN VAN DYCK De forfaitaire kostenaftrek is bij alle bedrijfsleiders lager dan voorheen.