Belastingteruggave

Jef Wellens

In 2019 werd de pensioenval opgelost. Had je naast je pensioen nog een ander inkomen, dan betaalde je tot dan mogelijk een veelvoud van dat bijkomend inkomen aan extra belasting. De pensioenval speelde wanneer een klein pensioen van 15.000 à 16.500 euro werd gecombineerd met een beperkt ander inkomen, bijvoorbeeld huur, een onderhoudsuitkering of een kleine bijverdienste. Een weduwe met een overlevingspensioen van 15.600 euro betaalt geen belasting. Had ze daarnaast nog een ander inkomen van 20 euro, dan betaalde ze tot voor twee jaar nog 408 euro belasting. Nu betaalt de weduwe nog slechts 3 euro belasting. De anomalie van de pensioenval is van de baan. Gelukkig maar.

Een ontheffing voor de pensioenval op initiatief van de fiscus is op dit ogenblik niet aan de orde.

Begin dit jaar veroordeelde het Grondwettelijk Hof de intussen historische pensioenval in zijn arrest van 11 februari. Het feit dat een netto-inkomen drastisch kan dalen wanneer een pensioen wordt aangevuld met een klein extra inkomen – in casu betrof het een gepensioneerde die naast zijn pensioen nog 62 euro presentiegelden ontving – schendt het gelijkheidsbeginsel. Want als die 62 euro geen presentiegeld, maar ook pensioen zou zijn, dan was er geen sprake van een netto-inkomensverlies. Het arrest heeft geen belang voor het heden, want de pensioenval is sinds 2019 niet meer, maar heeft wel nog belang voor het verleden.

Gepensioneerden die zich in een vergelijkbare situatie bevinden en door hun bijkomend inkomen netto inkomensverlies leden, kunnen nu voor de periode 2018, 2017, 2016 en mogelijk zelfs nog voor 2015, een ambtshalve ontheffing of teruggave van belasting vragen. De minister van Financiën bevestigde dat: het arrest van het Grondwettelijk Hof is te beschouwen als een ‘nieuw feit’, waarvoor de wettelijke ontheffingstermijn van vijf jaar geldt, als de gepensioneerde die ontheffing vraagt. Maar eigenlijk kan die belastingteruggave – het woord zegt het zelf – ambtshalve en dus automatisch door de fiscus worden verleend. Want hij is wel degelijk op de hoogte van het nieuwe feit.

Er is trouwens een precedent. In 2009 vernietigde het Grondwettelijk Hof een andere discriminerende belastingregel, waarvan getrouwde werklozen de dupe waren (arrest van 2 april 2009). Toen zagen die werklozen hun belasting van vier jaar spontaan herberekend door de fiscus, zonder dat ze daarom zelf hoefden te vragen. Er werden ruim een miljoen aanslagbiljetten rechtgezet. Ook al gaat het deze keer om veel minder belastingplichtigen, met kleinere terugbetalingen, een ontheffing op initiatief van de fiscus is op dit ogenblik niet aan de orde. Blijkbaar kan nu niet wat tien jaar geleden vanzelfsprekend was “om belastingplichtigen bijkomende demarches te besparen en om administratieve rompslomp te voorkomen”.

De pensioenval mag dan opgelost zijn, de werkloosheidsval is dat niet. De prima maatregel die een einde stelde aan de pensioenval, werd twee jaar geleden niet doorgetrokken naar de werkloosheidsuitkeringen. Een gemiste kans, want de werkloosheidsval stelt zich scherper dan ooit. Werkloosheidsuitkeringen zijn in principe belastingvrij tot 20.220 euro. Dat is het bedrag van de maximumuitkering die kan worden toegekend tijdens de eerste twaalf maanden volledige werkloosheid. In tijden van corona ligt dat bedrag fors hoger. Een werkloze met een uitkering van 20.220 euro die enkel die een uitkering heeft, betaalt geen belasting. Maar riskeert hij daarnaast nog een ander belastbaar inkomen te hebben, al is het maar 20 euro, dan betaalt hij maar liefst 2160 euro belasting. Een niet uit te leggen aberratie in onze fiscale wetgeving die, na het arrest van het Grondwettelijk Hof, de facto onhoudbaar is en die de wetgever maar beter uit de wereld kan helpen. En dat liever gisteren dan vandaag.

De auteur is fiscalist bij Wolters Kluwer

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content