Philippe Maystadt heeft een rampzalig idee : het eigen vermogen van ondernemingen belasten. Onze binnenlandse vraag kalft steeds verder af.
...

Philippe Maystadt heeft een rampzalig idee : het eigen vermogen van ondernemingen belasten. Onze binnenlandse vraag kalft steeds verder af. In de aanloop naar de opmaak van de begroting voor 1997 lanceert zowat elke excellentie zijn proefballonnetje. SP-voorzitter Louis Tobback wil een algemene vermogensbelasting, maar de CVP laat via haar huiseconomen Fons Verplaetse, gouverneur van de Nationale Bank, en Paul Van Rompuy, voorzitter van de cel financieringsbehoeften van de Hoge Raad van Financiën, weten daar niets voor te voelen. Laatstgenoemde suggereert dan weer dat een verhoging van de belasting op onroerend goed best kan. Het valt op dat die proefballonnetjes uitsluitend in de richting gaan van belastingverhogingen. Zo wil vice-premier Elio di Rupo (PS) een belasting op bits en zijn collega Philippe Maystadt (PSC), tevens minister van Financiën, ziet een belasting op het eigen vermogen van bedrijven wel zitten. De gevolgen van dit laatste voorstel op ons economisch draagvlak zijn méér dan oppervlakkige aandacht waard. Het basisschema van een eerste les bedrijfsbeheer zou er als volgt kunnen uitzien. De jaarrekening van elke onderneming bestaat uit de balans en de verlies- en winstrekening. De balans bestaat uit enerzijds de activa-zijde welke aangeeft wat de bezittingen van het bedrijf zijn (gebouwen, machines, stocks...) en anderzijds de passiva-zijde die aanduidt hoe de bezittingen gefinancierd worden. Wat die financieringsbronnen betreft, kunnen schematizerend vier bestanddelen aangeduid worden : het eigen vermogen, leningen aangegaan op langere termijn bij financiële instellingen, kortetermijnkredietfaciliteiten bij diezelfde financiële instellingen en de betalingsuitstellen vanwege leveranciers. Een vuistregel inzake gezonde bedrijfsfinanciering bestaat erin dat het eigen vermogen minstens die activa dient te dekken welke voor de onderneming absoluut noodzakelijk zijn opdat zij haar activiteit zou kunnen uitoefenen.Het eigen vermogen bestaat essentieel uit enerzijds datgene wat de aandeelhouders aan kapitaal in het bedrijf injecteren en anderzijds de gereserveerde winsten, d.w.z. winsten die reeds via de vennootschapsbelasting langs de staatskas passeerden. Eén conclusie dringt zich nu al op : Philippe Maystadt wil diegenen penalizeren die kapitaal in een onderneming steken en ook de bedrijven die hun winsten terug investeren. De minister van Financiën vindt dus blijkbaar kapitaalvlucht en delokalizatie zo groeit immers het eigen vermogen in België zeker niet aan schitterende ideeën die aansporing verdienen. Dat de belasting op het eigen vermogen "zeer beperkt" zou uitvallen, is niet enkel totaal naast de kwestie maar tevens typerend voor de perfiditeit van het voorstel. Elke belasting begint in België immers "zeer beperkt". Een tweede consequentie van een belasting op het eigen vermogen is dat de bedrijven uiteraard de passiva-kant van hun balans zullen gaan herschikken. Het volume aan eigen vermogen zal men daarbij zo laag mogelijk trachten te houden. Bij gelijke activiteit betekent dit dat er onvermijdelijk andere financieringsbronnen aangeboord zullen moeten worden. Dit betekent dus : meer bankkrediet en/of meer betalingsuitstel vanwege de leveranciers. Via diverse kanalen leidt dit tot een geringere winstgevendheid en een grotere instabiliteit, zowel voor de ondernemingen als voor de financiële instellingen.Een voorstel als dat van Philippe Maystadt past perfect in de door alle regeringsleden steeds opnieuw naar voren gebrachte stelling dat het geen verschil maakt of men het begrotingstekort terugschroeft via uitgavenvermindering dan wel via belastingverhoging. Ernstig economisch onderzoek met dat van Alberto Alesina en Roberto Peroti, gepubliceerd in Economic Policy (oktober 1995) als ultieme bevestiging bewijst dat saneren via belastingverhogingen niet werkt en dat deze weg wel degelijk meer deflatoir uitdraait. Bijgaande grafiek " Belastingklappen" illustreert deze realiteit nogmaals. Voor de periode 1980-'95 wordt de evolutie van de binnenlandse vraag nagegaan voor enkele landen en dit telkens tegenover het gemiddelde van de Europese Oeso-landen. Het voor de hand liggende uitgangspunt daarbij is dat het deflatoire effect van belastingverhogingen zich op de allereerste plaats manifesteert via een afremming van die binnenlandse vraag, vooral de consumptie en de bedrijfsinvesteringen. De grafiek laat geen ruimte voor discussie : de ontwikkeling van de binnenlandse vraag is nergens zo zwak als in ons land. Nederland houdt ons helemaal achteraan in het peloton lang gezelschap, maar fietst met name vanaf 1993 duidelijk van ons weg. JVO PHILIPPE MAYSTADT De minister van Financiën vindt blijkbaar dat kapitaalvlucht en delokalizatie gestimuleerd moeten worden.