Veel westerse bedrijven beschouwen China als een eeuwig groeiende economie. Ze willen zich positioneren op die markt om op lange termijn mooie winsten te kunnen binnenhalen. Dat het voordelen heeft om een Chinese vestiging te hebben, blijkt uit het succes van Volkswagen. De Duitse autoconstructeur heeft een sterke aanwezigheid in China en realiseert elk jaar buitengewone prestaties. Fabrikanten zoals Peugeot, die zich vooral focussen op Europa, zien hun resultaten smelten als sneeuw voor de zon.
...

Veel westerse bedrijven beschouwen China als een eeuwig groeiende economie. Ze willen zich positioneren op die markt om op lange termijn mooie winsten te kunnen binnenhalen. Dat het voordelen heeft om een Chinese vestiging te hebben, blijkt uit het succes van Volkswagen. De Duitse autoconstructeur heeft een sterke aanwezigheid in China en realiseert elk jaar buitengewone prestaties. Fabrikanten zoals Peugeot, die zich vooral focussen op Europa, zien hun resultaten smelten als sneeuw voor de zon. De Chinese economie heeft de voorbije dertig jaar inderdaad een uitzonderlijk parcours afgelegd. In de economische geschiedenis is er geen enkel land dat gedurende zo'n lange tijd zo'n sterke groei - gemiddeld iets meer dan 10 procent per jaar - heeft neergezet. Maar de Chinese motor sputtert al enige tijd. In het tweede kwartaal van 2012 bedroeg de groei nog maar 7,6 procent - het laagste niveau van de afgelopen drie jaar. De Chinese economie heeft daarmee voor het zesde kwartaal op een rij aan snelheid ingeboet. Die onrustwekkende evolutie zette eerste minister Wen Jiabao ertoe aan om aan de alarmbel te trekken. Hij kondigde aan dat het "stabiliseren van de groei de dringendste opdracht voor zijn land is". Om de economische activiteit te ondersteunen, heeft de centrale bank de basisrente dit jaar tot tweemaal toe teruggeschroefd - een eerste keer begin juni en een tweede keer begin juli. Het was geleden van december 2008 - toen de wereld in volle financiële crisis verkeerde - dat de Chinese rente naar beneden was bijgesteld. Daarnaast heeft de centrale bank de verplichte reserves voor banken tussen december 2011 en mei 2012 drie keer verlaagd, zodat ze meer geld konden lenen. De overheid kan echter niet teruggrijpen op de maatregelen die ze heeft genomen in 2008 en 2009, toen de financiële crisis de Europese en de Amerikaanse economie op de knieën dwong en de Chinese groei eveneens vertraagde. De regering stortte zich toen op de bouw van - al dan niet nuttige - infrastructuurprojecten, die werden gefinancierd door de banken. Tussen 2007 en 2010 steeg de kredietverstrekking van de financiële instellingen daardoor met 70 procent. Die injectie van liquiditeiten droeg in 2009 bij tot bijna 30 procent van het Chinese bruto binnenlands product (bbp). De effecten van dat krachtige relancebeleid lieten niet lang op zich wachten: er was opnieuw groei, maar die ging gepaard met een hollende inflatie en er ontstonden zeepbellen, onder meer in de vastgoedsector. Op dat gebied moet China niet onderdoen voor Spanje, dat wegen, bruggen en ongebruikte luchthavens heeft kunnen bouwen dankzij de kunstmatig lage rentevoeten en Europese subsidies. In China bedraagt het gewicht van het vastgoed meer dan 15 procent van het bbp, terwijl het Spaanse vastgoed op het hoogtepunt van de zeepbel goed was voor 13 procent van het bbp. De binnenlandse consumptie heeft nauwelijks bijgedragen tot de vooruitgang van de Chinese economie. De Chinese groei berust voornamelijk op de uitvoer. Buitenlandse bedrijven hebben hun productie verplaatst naar China, om die vervolgens te exporteren naar de rest van de wereld. In de jaren 2000 is het aandeel van China in de wereldhandel daardoor toegenomen van 3 à 4 procent tot meer dan 11 procent vandaag - een ongeziene stijging. Dat verklaart ook waarom het land harde klappen krijgt als de wereldwijde economie terugvalt. De binnenlandse consumptie wordt bovendien nog verzwakt door de huizenhoge inflatie van de voedingsmiddelen en de energie, waar 40 procent van het budget van de Chinese gezinnen naartoe gaat. De afgelopen drie jaar is het gewicht van de consumptie van de gezinnen in het bbp almaar gedaald. De Chinezen hebben de middelen niet om meer te consumeren, doordat de rijkdom zeer onevenwichtig is verdeeld. De loonmassa vertegenwoordigt slechts 47 procent van het Chinese bbp, tegenover 65 à 70 procent in de westerse landen. Om de vertraging van de lokale consumptie af te remmen, heeft de regering aanzienlijke loonsverhogingen toegestaan. Maar omdat de Chinezen leven in een land zonder pensioenstelsel, sociale zekerheid en gratis onderwijs, geven ze hun extra inkomsten niet uit, maar potten ze die op. De industrie, die al getroffen is door de wereldwijde economische vertraging, heeft daardoor moeite om het hoofd boven water te houden. Als de regering een sociaal stelsel zou opzetten dat de Chinezen stimuleert om hun spaargeld aan te spreken en te consumeren, zou dat de kosten voor de bedrijven in de hoogte jagen. Dat zou de doodsteek geven aan het Chinese economische model. Dat ze meer zou kunnen steunen op de lokale consumptie is ongetwijfeld de grootste wens van de Chinese overheid. Maar het wordt niet gemakkelijk om daarin te slagen. Misschien is dat nog niet zo'n slechte zaak. De planeet gaat eraan ten onder als China uitgroeit tot een consumptie-economie zoals de Verenigde Staten. Als in China 200 auto's per 1000 inwoners rijden - tegenover 60 vandaag en 600 in Europa - zou het land alle olievoorraden van de hele planeet verbruiken. KARINE HUET