Vorige week is er stennis ontstaan over de slordige 105 miljoen euro extra die de banken per jaar uit elektronisch betalen willen beuren. Unizo berekende dat bedrag uit de zopas gepubliceerde Sepa fall-back interchange rates die Mastercard vanaf 1 januari 2008 wil laten toepassen voor betalingen met zijn Maestrokaart, die dan Bancontact vervangt.
...

Vorige week is er stennis ontstaan over de slordige 105 miljoen euro extra die de banken per jaar uit elektronisch betalen willen beuren. Unizo berekende dat bedrag uit de zopas gepubliceerde Sepa fall-back interchange rates die Mastercard vanaf 1 januari 2008 wil laten toepassen voor betalingen met zijn Maestrokaart, die dan Bancontact vervangt. Nieuwe meesters, nieuwe wetten. Mastercard probeert meteen een nieuw soort vergoeding in de markt te zetten. Tot nog toe betaalde de handelaar alleen Banksys. Na 1 januari 2008 blijft Banksys in opdracht van de grootbanken nog voor vijf jaar de Maestrobetalingen garanderen en verwerken. Maar Mastercard wil nu via een interchange fee ook de bank van de kaarthouder een deel van de koek geven. Die zorgt er immers mee voor dat haar klant een aankoop kan doen bij de handelaar. Op zich is dat een interessante gedachte. Waar Unizo het moeilijk mee heeft, is het hogere kostenplaatje dat er voor de handelaar aan hangt. Mastercard wil een forfait van 5 eurocent per transactie laten aanrekenen, plus 0,20 % van het bedrag van de aankoop. Volgens de organisatie van distributiebedrijven Fedis verhoogt dat de kosten van de gemiddelde transactie van 6 naar 15 cent. Het is vooral de koppeling aan de hoogte van de betaling die Unizo en Fedis dwarszit. Dat concept is logisch in de kredietkaartindustrie, maar debetkaarttransacties zoals Maestro en Bancontact dragen geen kredietrisico. En voor de verwerking speelt de grootte van het bedrag geen enkele rol. Er is dus geen economische grond om variabel te tariferen, tenzij voor wie erop speculeert dat de handelaar geen alternatief heeft. Mastercard countert dat de concurrentie speelt en dat de banken vrij zijn hun tarief te bepalen. Het gaat enkel om fall-back rates, een stoplap voor het geval een bank dat niet doet. "Mastercard ontvangt geen deel van de interchange fee," luidt het. In theorie wil de Europese Commissie met de overgang naar Europese betaalsystemen schaalgrootte creëren en de concurrentie bevorderen. De signalen zijn nu, tegen de logica in, dat schaalgrootte niet tot een prijsverlaging, maar tot een prijsverhoging leidt. Ook in Oostenrijk, Zwitserland en Groot-Brittannië heeft Maestro prijsverhogingen meegebracht. Kan het zijn dat de Commissie met haar ideaal van vrije concurrentie droombeelden najaagt? Dat de netwerkeffecten in de betalingsindustrie zo sterk zijn dat er maar plaats is voor één dominante speler, die dan onaantastbaar wordt? Elke bijkomende kaarthouder maakt het dominante kaartschema immers nog onontkoombaarder, verzwakt de onderhandelingspositie van de handelaar en legt de instapdrempel voor concurrenten hoger. De Europese Commissie heeft nu de optie om zich in de jungle van de prijsregulering te storten. Ideologisch zal ze daarentegen geneigd zijn tot een laisser faire. Een hoge interchange fee schept een aantrekkelijk prijspunt voor nieuwkomers en kan zo op een 'natuurlijke' manier de concurrentie doen openbloeien. Zo'n redenering heeft de Commissie al eens in een andere netwerkindustrie toegepast, namelijk met de afwikkelingsvergoedingen in de mobilofonie. Na tien jaar overfacturatie probeert ze daar nu moeizaam van af te raken. Via prijsregulering. Bruno Leijnse