Meer dan 800 bedrijfsleiders en financieel directeurs (CFO's) deden mee aan de Trends-enquête over de financiële slagkracht en de financieringsbronnen van de Belgische ondernemingen. De helft van de deelnemende ondernemingen heeft zijn hoofdzetel in Vlaanderen, 20 procent in Brussel en een kwart in Wallonië. Driekwart heeft tot 100 werknemers in dienst, en de helft van de respondenten heeft een vestiging buiten België. Een op de vijf meldt een omzet boven 50 miljoen euro.
...

Meer dan 800 bedrijfsleiders en financieel directeurs (CFO's) deden mee aan de Trends-enquête over de financiële slagkracht en de financieringsbronnen van de Belgische ondernemingen. De helft van de deelnemende ondernemingen heeft zijn hoofdzetel in Vlaanderen, 20 procent in Brussel en een kwart in Wallonië. Driekwart heeft tot 100 werknemers in dienst, en de helft van de respondenten heeft een vestiging buiten België. Een op de vijf meldt een omzet boven 50 miljoen euro. Eerst het goede nieuws: 37 procent van de deelnemende CEO's en CFO's noemt de nettokaspositie van zijn bedrijf positief en omvangrijk. Een meerderheid is eveneens positief, maar stipt aan dat de liquide middelen maar net volstaan voor een goede dagelijkse werking. Dat er zo weinig overschot is, is redelijk zorgwekkend. Net als het gegeven dat een op de tien ondernemingen met een negatieve kaspositie kampt. De bedrijven die wel over een omvangrijke kaspositie beschikken, willen dat geld vooral gebruiken voor investeringen (72 %) of het bijhouden als buffer (47 %). Schulden aflossen (16 %) of beleggen (15 %) lijkt minder aantrekkelijk. De investeringsbereidheid van de ondernemingen is vooral in Vlaanderen groot. Driekwart van de Vlaamse bedrijven plant investeringen in de volgende twaalf maanden, tegenover twee derde van de bedrijven uit Franstalig België. Het gaat zowel om vervangings- als uitbreidingsinvesteringen (telkens 46 %). Slechts een op de vijf bedrijven (in Vlaanderen is dat een op de vier) plant investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Bij ondernemingen met een vestiging in het buitenland loopt dat op tot een op de drie. Bij de bedrijven die geen investeringen plannen in de eerste twaalf maanden spelen twee factoren een negatieve rol: de hoge loonkosten (35 %) en het onzekere economisch klimaat (27 %). Een kwart van de respondenten zegt dat zich geen goede investeringskansen aandienen, terwijl 22 procent te weinig kapitaal of financiering ter beschikking heeft. 72 procent van de ondervraagde ondernemingen financiert zijn werking en investeringen via de eigen cashflow (autofinanciering), terwijl 64 procent een beroep doet op een bankkrediet. Roerende en onroerende leasing blijken ook populaire oplossingen. Liefst 43 procent van de ondernemingen doet er een beroep op. Dat bewijst dat leasing uitgegroeid is tot een aantrekkelijke alternatieve financieringsvorm, iets wat in mindere mate ook geldt voor andere huuroplossingen. Andere financieringsvormen, zoals factoring, de beurs of de uitgifte van bedrijfsobligaties, liggen duidelijk veel minder voor de hand. Minder dan 10 procent van de respondenten van de enquête maakt er gebruik van. Crowdfunding lijkt helemaal een marginaal fenomeen. Amper 3 procent van de bedrijven heeft er ervaring mee. De meeste bedrijven, en dan vooral de grote met een vestiging in het buitenland, bevestigen dat bankfinanciering voor hen de aantrekkelijkste bron van schuldfinanciering blijft. Kleine bedrijven zeggen dan weer dat ze die bankfinanciering proberen af te bouwen. Opmerkelijk is dat bijna de helft van de ondernemingen (45 %) erover klaagt dat bij de bank een professioneel krediet verkrijgen moeilijker geworden is in de afgelopen drie jaar. Tegelijk heeft 35 procent daar niets van gemerkt. Het probleem is niet zozeer dat het bankkrediet duurder geworden is. Daar maakt slechts 13 procent zich zorgen over. De bank zou vooral strengere voorwaarden opleggen, stelt 80 procent van de respondenten. Bijna de helft van de ondernemingen vindt dat het langer duurt vooraleer krediet wordt toegestaan en een derde merkt op dat er veel meer discussies zijn dan vroeger. Die discussies gaan dan vooral over de waarborgen die de banken eisen om een krediet toe te kennen. Liefst 54 procent van de respondenten noemt dat het belangrijkste struikelblok. Aan Franstalige kant loopt dat cijfer zelfs op tot 65 procent. Ook de gehanteerde rentevoet is een belangrijke bron van discussie. Bijna een op de drie ondernemingen ziet onderhandelingen over een bankkrediet daarover struikelen. Ook de convenanten en het gebrek aan flexibiliteit in terugbetalingen zijn nogal wat ondernemingen een doorn in het oog. Niettemin werd slechts aan 8 procent van de ondervraagde bedrijven tijdens de afgelopen twaalf maanden een bankkrediet geweigerd. De helft van de gedupeerden vindt dat de fout daarvoor bij de bank lag, die volgens hen te streng geoordeeld heeft. Een kwart kon te weinig waarborgen voorleggen en nog eens 20 procent geeft toe dat de onderneming in slechte papieren zit. Ongeveer een vijfde van de ondernemingen -- en dan weer vooral de grotere -- doet een beroep op alternatieve financiering. Voor veel bedrijven liggen die alternatieven (bijvoorbeeld bedrijfsobligaties) echter niet binnen handbereik, ofwel zijn ze te duur. Toch zegt liefst 28 procent van de respondenten dat zijn bedrijf alternatieven voor bankfinanciering zoekt, maar er voorlopig nog geen gebruik van maakt. Dat lijkt erop te wijzen dat het belang van alternatieve financieringsbronnen zal toenemen. Of er kredietschaarste heerst op de Belgische markt, daarover zijn de meningen verdeeld. Iets meer bedrijven vinden van wel, maar heel uitgesproken is die overtuiging niet. Een overgrote meerderheid van de bedrijven (90 %) oordeelt wel dat de banken de lage beleidsrentes (van de centrale banken) onvoldoende doorrekenen aan de bedrijven. Dat zou betekenen dat de banken de opeenvolgende rentedalingen gebruikt hebben om hun marges te vergroten. Eerder kwam de Nationale Bank van België al tot die vaststelling. In zijn recentste jaarverslag merkt de NBB op dat "de Belgische banken hun commerciële marges op nieuwe kredieten hoog houden", in de buurt van 2,5 tot 3 procent. Veel ondernemingen zijn het erover eens dat de nieuwe regelgeving voor de banken te streng is en de economie afremt. Door de hogere kapitaalvereisten en het strengere risicomanagement gaan de banken meer op de rem staan. Dat ze heel voorzichtig blijven, blijkt ook uit het feit dat van een versoepeling van de kredietconvenanten geen sprake is. De enquête geeft eveneens een beeld van de financiële sterkte van de Belgische ondernemingen, en daar zit het wel goed. Slechts 29 procent van de ondervraagde ondernemingen heeft minder dan 25 procent eigen vermogen (in procent van het balanstotaal). Meer dan 30 procent heeft meer dan 50 procent eigen vermogen (en houdt dus waarschijnlijk te veel kapitaal aan). De rest zit daartussen. Meer dan 70 procent van de bedrijven is zeker dat het eigen vermogen groot genoeg is om eventuele moeilijkheden op te vangen. Ze zijn dan ook bijna allemaal van plan het eigen vermogen op dat hoge niveau te houden. Voor de bedrijven met een te lage solvabiliteit rest niets anders dan het kapitaal te verhogen, maar 13 procent klaagt erover geen toegang tot vers kapitaal te hebben. Een grote meerderheid van de ondernemingen is van oordeel dat er vooral een tekort aan start- en risicokapitaal is. Nochtans kunnen de bedrijven volgens hen maar beter zo veel mogelijk eigen vermogen aanhouden. Over de impact van een eventuele afbouw van de notionele-intrestaftrek bestaat geen eensgezindheid. Volgens de helft van de ondervraagden kan dat een reden zijn om het eigen vermogen af te bouwen, maar volgens de andere helft niet. PATRICK CLAERHOUT