In veel gevallen krijgt de belastingplichtige gelijk bij betwisting van de onredelijk geachte kosten voor een rechtbank. We geven enkele opmerkelijke uitspraken. De afgevaardigd bestuurder van een vleesbedrijf met 38 werknemers en een omzet van 3.718.000 euro, beschikte via zijn firma over een exclusieve Lotus. De vennootschap betaalt daarvoor meer dan 25.000 euro leasingkosten per jaar. De fiscus slaagde er niet in het onredelijke karakter van die leasingkosten te bewijzen. De kosten konden dus niet worden beperkt (arrest...

In veel gevallen krijgt de belastingplichtige gelijk bij betwisting van de onredelijk geachte kosten voor een rechtbank. We geven enkele opmerkelijke uitspraken. De afgevaardigd bestuurder van een vleesbedrijf met 38 werknemers en een omzet van 3.718.000 euro, beschikte via zijn firma over een exclusieve Lotus. De vennootschap betaalt daarvoor meer dan 25.000 euro leasingkosten per jaar. De fiscus slaagde er niet in het onredelijke karakter van die leasingkosten te bewijzen. De kosten konden dus niet worden beperkt (arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 17 januari 2012). De zaakvoerder van een verzekeringskantoor reed met een Porsche Carrera 911. De rechtbank te Gent (vonnis van 22 mei 2012) oordeelde dat de autokosten niet onredelijk waren omdat de zaakvoerder zo een bepaalde status verwierf die hij kon gebruiken om nieuwe klanten te maken. Een vennootschap met twee bestuurders, actief in de uitgeverijsector, had vier bedrijfswagens: een Rolls-Royce, een Mercedes 600, een Porsche 911 en een Range-Rover. De rechter in Brussel (vonnis van 5 februari 2003) vond dat de aanzienlijke autokosten daarvoor niet als onredelijk konden worden beschouwd omdat "de werkzaamheden van de vennootschap belangrijke vertegenwoordigingsactiviteiten omvatten en de kosten toch maar 7,7 procent van de omzet uitmaken". Een jonge zelfstandige loodgieter gebruikte een Jeep Cherokee voor zijn werk. De rechtbank in Brussel (vonnis van 21 juni 2001) oordeelde dat de kosten van die luxewagen niet overdreven waren omdat "het etaleren van kracht en luxe een techniek is die door zo goed als de totaliteit van de zelfstandigen wordt gebruikt om klanten te overtuigen van het gewaarborgd succes en de kwaliteit van hun werk". Toch krijgt de autoliefhebber niet altijd de rechter aan zijn kant, zoals uit de volgende voorbeelden blijkt. Een vennootschap, actief in de drukkerij- en reclamesector, met één bestuurder had drie luxueuze wagens in gebruik. In het ene jaar een Porsche, een Mercedes en een Jaguar en in het andere jaar twee Porsches en een Jaguar. Het hof van beroep in Brussel (arrest van 4 maart 2009) besliste dat "de autokosten op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen, in de mate dat niet twee, maar wel drie luxueuze personenwagens fiscaal in mindering worden gebracht". De rechter besloot daarom één derde van de aftrek van de autokosten te verwerpen. Een geneesheer-specialist die geen huisbezoeken aflegde, reed met zijn Porsche 15.000 kilometer per jaar voor zijn werk. De rechtbank in Luik (vonnis van 5 april 2000) beschouwde de autokosten als onredelijk zodra zij neerkomen op één vijfde van de inkomsten.