Uit een Europese studie blijkt dat 13,2 % van de Belgische kinderen, één op acht, in een gezin leeft waarvan geen van beide ouders een baan heeft. Het Europese gemiddelde bedraagt 9,9 %. In Brussel is het nog erger gesteld: 40 % van de Brusselse kinderen heeft werkloze ouders.
...

Uit een Europese studie blijkt dat 13,2 % van de Belgische kinderen, één op acht, in een gezin leeft waarvan geen van beide ouders een baan heeft. Het Europese gemiddelde bedraagt 9,9 %. In Brussel is het nog erger gesteld: 40 % van de Brusselse kinderen heeft werkloze ouders. Dat is heel erg, want niet alleen groeien die kinderen niet op zoals het hoort, tegelijk is voor hen het risico groot dat ze later ook werkloos zullen zijn. En hun kinderen. Enzovoort, enzovoort... De sociologen hebben daar een term voor: generatiearmoede. De werkgelegenheid blijft een groot probleem in België. De hoge loonkosten zijn de hoofdschuldige. Het werd vorige week nog maar eens bevestigd door een studie van het Institut der deutschen Wirtschaft. Daaruit bleek dat in 2004 de Belgische industrie de vijfde hoogste loonkosten van Europa heeft. Daardoor is het erg moeilijk voor laaggeschoolden om aan werk te geraken. Bovendien heeft België het derde hoogste minimumloon van de EU. Ook dat geeft weinig mogelijkheden aan mensen met weinig kwalificaties. Werkgevers aarzelen om mensen aan te werven waarvan ze niet zeker weten dat hun productiviteit de kosten zal dekken. De regering probeert dat op te vangen door de socialezekerheidsbijdragen voor lage lonen te verminderen. Maar dat volstaat niet. Het zou goed zijn dat België, in navolging van Duitsland, de weg openbreekt voor laagbetaalde jobs. De weerstand daartegen is echter erg groot van vakbondszijde: daar wordt voortdurend gepleit om het minimumloon op te trekken. Nochtans bewijst de recente Europese studie dat het hebben van een job belangrijk is om generatiearmoede te vermijden. Ja, maar een slecht betaalde job zal de armoede niet veranderen, zullen tegenstanders argumenteren. Gedeeltelijk hebben ze gelijk. Maar ten eerste zal iemand die op die manier in het arbeidscircuit terechtkomt een grotere kans hebben om via de opgedane ervaring een normaal betaalde job te vinden. Ten tweede is er een cultuurverschil. Wanneer de ouders een job hebben - zij het een slecht betaalde - zullen de waarden waarmee een jongere wordt grootgebracht anders zijn. In de Belgische context zijn jobs met lage lonen echter een probleem. Want hoe lager het loon, hoe kleiner het verschil tussen werkloosheidsuitkering en loon (zelfs negatief door bijkomende kosten van verplaatsing, kinderopvang enzovoort). En wie wil er dan nog gaan werken? Dat kan alleen opgelost worden door de werkloosheidsuitkeringen te beperken in de tijd. Opnieuw een erg asociale maatregel, zullen de tegenstanders zeggen. Maar voelen die tegenstanders zich misschien comfortabel met gezinnen waar vader en moeder werkloos zijn en waarvan we nu weten dat de kans daardoor groter wordt dat de kinderen ook werkloos zullen zijn. Is dat sociaal beleid? Bovendien is zo'n situatie een tijdbom wanneer ze zoals in Brussel oploopt tot 40 % en nauw verbonden is met de allochtone bevolking. Door gebrek aan ervaring, talenkennis en ook door discriminatie op de werkvloer is de werkloosheid onder allochtonen in Brussel torenhoog. Hun perspectiefloze toekomst wordt zo een ideale voedingsbodem voor jongeren die een uitweg kunnen zoeken in fundamentalisme en erger nog, terrorisme. Ook om dat te vermijden, is een openbreken van onze starre arbeidsmarkt een noodzaak. Guido Muelenaer