Op een nacht hoort de vierjarige Ruth Cole een vreemd geluid in de slaapkamer van haar ouders. Ze veronderstelt dat haar moeder moet braken. Bezorgd stapt ze uit haar stapelbed, graait een handdoek mee uit de badkamer en ziet hoe een 16-jarige naakte knaap paardrijdt op haar moeder, die op handen en knieën op haar bed zit. Met deze scène, die bij vele mindere goden zou ontaarden in brakke vulgariteit, opent John Irving (1942) zijn nieuwe roman Weduwe voor een jaar. Op zijn befaamde virtuoze vertellerswijze kneedt hij het ...

Op een nacht hoort de vierjarige Ruth Cole een vreemd geluid in de slaapkamer van haar ouders. Ze veronderstelt dat haar moeder moet braken. Bezorgd stapt ze uit haar stapelbed, graait een handdoek mee uit de badkamer en ziet hoe een 16-jarige naakte knaap paardrijdt op haar moeder, die op handen en knieën op haar bed zit. Met deze scène, die bij vele mindere goden zou ontaarden in brakke vulgariteit, opent John Irving (1942) zijn nieuwe roman Weduwe voor een jaar. Op zijn befaamde virtuoze vertellerswijze kneedt hij het gênante tafereel om tot een panoramische introductie, waardoor we in een mum van tijd de hele situatie van het gezin Cole leren kennen. We komen te weten dat het huwelijk al niet erg gesmeerd liep voor en verbrokkelde na een auto-ongeval waarin de twee tienerzonen om het leven kwamen. Ongevallen en andere fatale drama's treffen Irvings personages wel vaker. In het eerste deel van de roman volgen we het kind Ruth in de zomer van 1958. Kort na de nachtelijke vrijscène laat de knappe, maar mentaal geknakte moeder Marion haar man en dochter in de steek. Ruth blijft achter bij haar vader, een succesrijke schrijver van kinderboeken, die zijn tijd liever besteedt aan zijn minnares. In het tweede deel blijkt de inmiddels 36-jarige Ruth zelf een gevierd bestsellerauteur. Tegenover haar professioneel succes staat haar chaotische privé-leven, al lijkt haar uitgever daar verandering in te gaan brengen. Het klinkt melig, soapy en cliché, maar Irving boetseert de scènes tot parels van professionele plotsetting, het leesplezier spat van de bladzijden. Bovendien doseert hij arglistig. Hij is niet vies van een schep grof sarcasme en een portie rauwe ironie, maar hij mixt met voldoende andere registers, tot er een evenwichtige, gladde page-turner ontstaat. Bevrijdende humor en de zwartste ellende wisselen elkaar af. Hij koestert zijn personages, ook nu hij voor het eerst een vrouwelijke protagonist heeft (tot dusver speelden een galerij onvergetelijke, sterke vrouwen niet zelden al een doorslaggevende rol in zijn plots). Behalve als verbaal schilder van stevige portretten, karakters en hun entourage, laat Irving zich ook gelden als een uitstekende chroniqueur van de American way of life. Dit zeiden we vorige week ook van Don DeLillo'sOnderwereld. Beide romans zijn even kloek, meesterlijk en kritisch, maar daar houdt elke vergelijking dan ook op. Ondanks Irvings stekelige sociale engagement, kietelt DeLillo meer de analytische criticus. In zekere zin blijft hij academischer. Irving daarentegen kiest onvoorwaardelijk voor het rondborstige Dickensiaanse vertelpalet, brengt zijn personages echt tot leven. In het derde deel speelt ook een Amsterdamse rechercheur een cruciale rol. Hij onderzoekt de moord op de Walletjes, waarvan Ruth getuige was toen ze research deed voor haar nieuwe roman. De schrijfster is dan 41, blijkt getrouwd geweest, maar al weduwe en heeft een kind van vier. De cirkel wordt gesloten. Anthos, 587 blz., 1190 fr. LUC DE DECKER