Het concept van de nieuwe economie heeft de voorbije jaren aanleiding gegeven tot nogal wat illusies. Eén daarvan was dat in de nieuwe economie de evolutie van de loonkosten niet meer zo'n belangrijk gegeven zou zijn voor het economische wel en wee. Een waanbeeld, zo bleek al vlug: voor een open economie als de Belgische blijven de loonkosten doorslaggevend voor de goede economische gang van zaken.
...

Het concept van de nieuwe economie heeft de voorbije jaren aanleiding gegeven tot nogal wat illusies. Eén daarvan was dat in de nieuwe economie de evolutie van de loonkosten niet meer zo'n belangrijk gegeven zou zijn voor het economische wel en wee. Een waanbeeld, zo bleek al vlug: voor een open economie als de Belgische blijven de loonkosten doorslaggevend voor de goede economische gang van zaken. Toch komt er net van dat loonfront de jongste tijd weinig bemoedigend nieuws: in de sectorale onderhandelingen voor de privé-sector bestaat de neiging om de salarislat op het allerhoogste niveau te leggen. Het sociaal akkoord dat eind vorig jaar werd afgesloten, voorzag een maximale stijging van het nominale loon met 7%; vandaag lijkt het alsof dat maximum voor de economisch sterke sectoren het referentiepunt is geworden voor alle sectoren. En ook de overheidsdiensten laten zich niet onbetuigd: de politiediensten sleepten al een aanzienlijke reële loonsverhoging (dus bovenop de indexaanpassingen) in de wacht; de leraars willen minimaal 3% reële opslag; de ambtenaren zelfs 4% met daarbovenop nog een supplementaire aanpassing voor de federale ambtenaren. En dan hebben we het nog niet eens over de extra vakantiedagen en andere vergoedingen die eveneens op het verlanglijstje van de ambtenaren staan.Welke loonkloof?Hoewel het Copernicusplan van minister van Ambtenarenzaken Luc Van den Bossche (SP) meestal de zwartepiet krijgt toegeschoven, is de publieke sector vooral misnoegd over de "onaanvaardbare en almaar groter wordende loonkloof met de privé-sector." Maar hoe terecht is die ontevredenheid? Tot op heden was er niemand die deze zogenaamde loonkloof bewees. Vlaams minister-president Patrick Dewael (VLD) bestelde weliswaar een studie die het mogelijk moet maken om de loonniveaus van ambtenaren en werknemers uit de privé-sector makkelijker te vergelijken, maar de vakbonden willen blijkbaar niet op de resultaten daarvan wachten. Voor het overige valt in heel deze discussie de onmetelijke armoede aan degelijk cijfermateriaal op. Trends ging daarom zelf aan het werk: dat gebeurde op basis van gegevens uit de Nationale Rekeningen (de ultieme boekhouding van de Belgische economie) en bijkomende cijfers verstrekt door de Nationale Bank. Een oefening die nogal wat knip- en plakwerk vergde, aangezien de cijfers van de Nationale Rekeningen vanaf 1995 volgens een nieuwe methodologie werd gewerkt. Op de Trends-website kan u evenwel alle details van de uitgevoerde berekeningen terugvinden. Belangrijk is ook dat de Nationale Bank bevestigde dat de gebruikte gegevens inzake brutoloonmassa en tewerkstelling volledig corresponderen, iets waarover vroeger nogal wat onenigheid bestond. De publieke sector omvat het geheel van de openbare besturen en het onderwijs. Staatsbedrijven zoals de NMBS en De Post vallen buiten de gegevens die in de Nationale Rekeningen onder de hoofding Overheid zitten gegroepeerd. De belangrijkste conclusie van onze oefening zit vervat in grafiek 1 ( Een kleine achterstand, maar...). Die grafiek relateert de verloning in de publieke sector aan die in de privé-sector, en dat tijdens de periode 1970-1999. Om het exact uit te drukken: de grafiek geeft de ratio weer van het gemiddelde brutojaarloon per tewerkgestelde in de publieke sector op het gemiddelde brutojaarloon in de privé-sector. Bedraagt deze ratio 100, dan betekent dit dat het gemiddelde brutojaarloon in beide segmenten van de economie perfect gelijk is. Bij een waarde boven de 100 verdient de gemiddelde ambtenaar méér dan de gemiddelde werknemer uit de privé-sector. En met een ratio onder de 100 ligt het voordeel bij de privé-werknemer.Tussen 1970 en 1979 waren de ambtenaren in het voordeel, met een maximaal voordeel van 15% in 1975. Vanaf 1982 keerde de verhouding in het gemiddelde brutojaarloon zich echter tegen de ambtenaren. Dat nadeel bereikte met 12,9% een maximum in 1988. Tussen 1991 en 1995 zag de werknemer uit de publieke sector zijn gemiddelde brutojaarloon weer snel aansluiten bij dat van zijn collega uit de privé-sector. In 1999, het laatste jaar waarvoor de Nationale Rekeningen beschikbaar zijn, lag het gemiddelde brutojaarloon in de publieke sector 1,6% onder het gemiddelde brutojaarloon in de privé-sector.Verrassende conclusieMet het element deeltijdse arbeid hielden we totnogtoe geen rekening. Parttimejobs zijn nochtans belangrijk. Wanneer bijvoorbeeld het gemiddelde brutojaarloon in sector A exact gelijk is aan dat in sector B, terwijl sector A alleen maar mensen telt die halftijds werken, dan ligt het gemiddelde reële loon per tewerkgestelde in sector A de facto dubbel zo hoog als in sector B. De vertekening die optreedt bij parttimewerk kan worden gecorrigeerd als we gaan rekenen in voltijdse equivalenten. Helaas kan men op basis van de Nationale Rekeningen onmogelijk tot een omrekening komen op basis van voltijdse equivalenten. Met de gegevens van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) kan dat wél, al maken de ondoorgrondelijke wegen van het Belgisch statistisch apparaat dat de definitie van de overheidssector bij de RSZ niet samenvalt met die van de Nationale Rekeningen. Zo vallen de provinciale en gemeentelijke ambtenaren buiten hetgeen de RSZ samenbrengt in de sector Overheid. De tabel ( ...ook een grote voorsprong) geeft voor 1997 en 1998 de belangrijkste cijfers weer. Alleen voor deze twee jaren beschikten we over onderling coherente cijfers. De gegevens voor 1999 komen, zo vernamen we bij de RSZ, over enkele dagen uit de computers gerold. De conclusie is hoe dan ook even duidelijk als verrassend: het gemiddelde brutojaarloon per voltijds equivalent lag in 1997 in de publieke sector 6,2% hoger dan in de privé-sector en in 1998 5,6%. Wanneer men echt appelen met appelen vergelijkt - en dus rekent in voltijdse equivalenten - is de onomstotelijke conclusie dat werknemers in de publieke sector gemiddeld méér verdienen dan hun collega's in de privé-sector.En dan zijn er nog de pensioenenUit de gegevens van grafiek 1 en de bijbehorende tabel blijkt dat de discussie vandaag niet zozeer zou moeten gaan over het loonnadeel, maar wel over het loonvoordeel van ambtenaren tegenover werknemers uit de privé-sector. Dan houden we nog niet eens rekening met de gunstige pensioenvoorwaarden waarop werknemers in de publieke sector aanspraak kunnen maken. Grafiek 2 ( Het pensioentoetje) toont aan dat, in procent van het laatst verdiende nettoloon, het voordeel van de ambtenaren oploopt van ongeveer 15% voor nettojaarlonen tussen 500.000 en 900.000 frank, tot bijna 40% voor nettojaarlonen boven 1,5 miljoen frank. Uiteraard ontstonden er in de privé-sector de voorbije jaren diverse vormen van aanvullend pensioen, maar het valt zeer te betwijfelen of die - gemiddeld genomen - het verschil met de overheidspensioenen kunnen wegwerken. Bij het uitwerken van het Belgische pensioensysteem is men er altijd vanuit gegaan dat het pensioenvoordeel voor de ambtenaar moest worden beschouwd als een vorm van uitgestelde verloning. Als we de lonen van ambtenaren werkelijk willen vergelijken met die in de privé-sector, zouden we dus het pensioenvoordeel van ambtenaren op een of andere manier moeten omrekenen naar hun huidige wedde. U kunt zich inbeelden wat er met de gegevens uit grafiek 1 en de bijbehorende tabel zou gebeuren als we die oefening cijfermatig konden uitwerken.In onze analyse legden we de nadruk op het gemiddelde brutojaarloon in de publieke sector en de privé-sector. We zijn er ons van bewust dat er achter zo'n gemiddelde grote verschillen kunnen schuilgaan. Zo is het bijvoorbeeld goed mogelijk dat de federale ambtenaren onderbetaald zijn ten aanzien van andere leden van de ambtenarij. Maar wat onze cijfers sowieso ondubbelzinnig aantonen, is dat er voor het geheel van de overheidssector absoluut geen sprake is van een loonnadeel. De openbare sector kan veel valabele redenen hebben gehad om gisteren, 14 maart, te betogen. Maar te weinig loon kan daar in ieder geval geen deel van hebben uit gemaakt. De meer gedetailleerde cijfers van het Trends-onderzoek vindt u op www.trends.be/artikelweek.htmJohan Van Overtveldt