Joseph P. Joyce, The IMF and the Global Financial Crisis. Phoenix Rising?, Cambridge University Press, 2012, 264 blz, 35 euro
...

Joseph P. Joyce, The IMF and the Global Financial Crisis. Phoenix Rising?, Cambridge University Press, 2012, 264 blz, 35 euroIn 2001 had het Internationaal Monetair Fonds (IMF) 26 leningen lopen. Dat aantal was in 2007, vlak voor de financiële crisis dus, teruggevallen tot nauwelijks twaalf. Bovendien waren er tien leningen toegekend aan straatarme landen die geen enkele toegang hadden tot de financiële markten. Het IMF moest in die periode tussen 2001 en 2007 zelfs mensen ontslaan omdat er te weinig activiteiten waren. Zo gesteld kwam de financiële crisis van 2008 als een geschenk uit de hemel voor deze instelling. Joseph Joyce brengt in The IMF and the Global Financial Crisis. Phoenix Rising? het verhaal van de instelling sinds het uitbreken van de crisis. In eerste instantie speelde het IMF geen rol bij het aanpakken van de problemen. De eerste reddingspogingen kwamen van de ministers van Financiën en de centrale banken. Pas toen de crisis uit de hand liep, werd het IMF erbij gehaald. Het resultaat kennen we vandaag. Medio augustus van dit jaar had het fonds voor 124 miljard euro leningen verstrekt aan tien Europese landen. Het ging bovendien om 62 procent van alle leningen die het IMF had lopen. Wie dat een decennium eerder had durven te voorspellen, werd voor gek verklaard. De bekendste landen met IMF-steun zijn Griekenland (29,2 miljard), Ierland (23,9 miljard) en Portugal (29,15 miljard). Maar ook Polen heeft ruim 29 miljard euro van het IMF ontvangen. Vooral Griekenland is een probleem als je weet dat het IMF de verstrekte lening uitdrukt als een percentage van het quotum dat een land aanhoudt bij de instelling. Voor Griekenland bedraagt dat percentage maar liefst 2032 procent. Dat lijkt onhoudbaar. Maar Joyce benadrukt dat het IMF geleerd heeft uit de fouten van het verleden. Volgens de hoogleraar economie aan het Wellesley College in Massachusetts maakt de instelling nu het onderscheid tussen landen die in de problemen kwamen door een externe schok, bijvoorbeeld een forse stijging van de energieprijzen, en landen die grondige hervormingen moeten doorvoeren. Een ander belangrijk verschil met vroeger is dat het IMF nu rijke landen moet helpen, terwijl het vroeger vooral ging om arme landen die geen financiering konden krijgen. En tot slot heeft het IMF geleerd sneller in actie te komen, als het gevraagd wordt. Door de Griekse crisis krijgen we volgens Joyce wel een verkeerd beeld van het IMF. De auteur doorbreekt het cliché dat stafmedewerkers uit Washington hun mening komen opleggen aan passieve overheden in Europa. Volgens Joyce is het een mythe dat het IMF zijn visie meedogenloos top- down zou opleggen. Er is meer overleg dan men denkt. Een belangrijk onderdeel van dit boek, dat op het eerste gezicht niet zo relevant lijkt, is de evolutie van de beslissingsprocedure bij het IMF. Terwijl vroeger de G7 (het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan, Canada en de VS) en de G8 (de G7 + Rusland) de beslissingen namen, is dat nu de G20 met landen zoals Argentinië, Brazilië en China. Dat is volgens Joyce een goede zaak. Een alternatief was er ook niet, aangezien die laatste landen relatief minder getroffen zijn door de financiële crisis die in 2008 in de VS ontstond en nadien vooral Europa trof. THIERRY DEBELS