Het is bekend dat de Belgische bewindslieden niets onverlet laten om het vaderland op fiscaal gebied naar voor te stuwen in de vaart der volkeren. Op enkele uitzonderingen na is de belastingdruk nergens hoger dan in het koninkrijk van Albert II. Tegelijk behoort België samen met enkele meestal onderontwikkelde landen tot het exclusieve clubje van landen die de roerende inkomsten van hun burgers nauwelijks belasten. De meerwaarden op aandelen zijn er - als ware België het land van Kokanje - doorgaans belastingvrij. De Belgische bewindslieden wringen het land bovendien in de kijker door het internationaal als 'onaanvaardbaar' bestempelde stelsel van de coördinatiecentra toch 'aanvaardbaar' te maken. Hoe? Door het voordeel te beperken en het tegelijk voor iedereen open te stellen via het onvolprezen systeem van de 'notionele interestaftrek'.
...

Het is bekend dat de Belgische bewindslieden niets onverlet laten om het vaderland op fiscaal gebied naar voor te stuwen in de vaart der volkeren. Op enkele uitzonderingen na is de belastingdruk nergens hoger dan in het koninkrijk van Albert II. Tegelijk behoort België samen met enkele meestal onderontwikkelde landen tot het exclusieve clubje van landen die de roerende inkomsten van hun burgers nauwelijks belasten. De meerwaarden op aandelen zijn er - als ware België het land van Kokanje - doorgaans belastingvrij. De Belgische bewindslieden wringen het land bovendien in de kijker door het internationaal als 'onaanvaardbaar' bestempelde stelsel van de coördinatiecentra toch 'aanvaardbaar' te maken. Hoe? Door het voordeel te beperken en het tegelijk voor iedereen open te stellen via het onvolprezen systeem van de 'notionele interestaftrek'. Opties. België valt internationaal ook op door zijn solitaire en eigenzinnige optreden op het gebied van de aandelenopties. Als een werkgever aan zijn werknemers opties toekent om aandelen te verwerven, dan lijdt het geen twijfel dat het voordeel dat daaruit voortvloeit belastbaar is als een beroepsinkomen. De vraag is alleen uit wat het voordeel bestaat, en wanneer het belastbaar is. Daarover heeft in België lange tijd grote onzekerheid bestaan. Indertijd ging de belastingadministratie ervan uit dat het voordeel ontstond - en dus belastbaar was - op het ogenblik dat de werknemer de opties uitoefent. Het voordeel zou dan in principe gelijk zijn aan het verschil tussen de (hogere) waarde van de aandelen en de prijs waartegen de werknemer zijn opties kan uitoefenen. Die stelling is in de praktijk zwaar betwist. Velen hebben voorgehouden dat het belastbare moment zich situeert, niet op het ogenblik van het uitoefenen van de opties, maar wel op het ogenblik van de toekenning ervan. Het voordeel zou dan gelijk zijn aan de waarde die de opties op dat ogenblik hebben. Ongeacht wat er daarna met de opties gebeurt, en ook ongeacht of de onderliggende aandelen nadien wel of geen waardestijging ondergaan. De strijd is op dit ogenblik nog altijd niet beslecht. Voor de hoven en rechtbanken wordt nog steeds slag geleverd om te bepalen hoe het fiscale stelsel van de 'oude' aandelenopties eruitziet. Wetswijziging. In 1999 heeft de wetgever ingegrepen. Voor de aandelenopties die sindsdien zijn toegekend, staat het nu wettelijk vast dat het voordeel dat eruit voortvloeit slechts belastbaar is op het ogenblik van de 'toekenning' ervan. Die wettelijke regeling is tot op heden ongewijzigd gebleven. Meteen heeft België zich hiermee op internationaal niveau in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd. Zelf hebben we dat niet kunnen nagaan. Maar volgens specialisten die het kunnen weten, is België op dit ogenblik zowat het enige land ter wereld dat aandelenopties belast op het ogenblik van de toekenning ervan. Ongeveer alle andere landen die fiscale regelingen in verband met aandelenopties kennen, belasten het voordeel, niet bij de toekenning, maar wel bij de uitoefening van de opties. Het probleem laat zich raden. Stel een buitenlander die een tijdje in België komt werken en aandelenopties krijgt. België zal er dan van uitgaan dat het voordeel dat daaruit voortvloeit belastbaar is op het ogenblik van de toekenning van de opties. Terwijl de buitenlandse fiscus ervan uitgaat dat het voordeel pas belastbaar wordt op het ogenblik van de uitoefening (dikwijls vele jaren later). Het hoeft geen betoog dat op die manier dubbele belasting dreigt. Oorzaak. De oorzaak ligt voor de hand: als zowat alle landen het voordeel belasten bij de uitoefening, en België cavalier seul speelt door het voordeel te belasten bij de toekenning, dan is het probleem van dubbele belasting in een internationale context niet te vermijden. Met de 'notionele interest' wil België zich in de kop van het peloton van investeringsvriendelijke naties nestelen. Vraag is dan of het niet dringend tijd wordt het stelsel van de aandelenopties te herzien. Buitenlandse investeerders die met de 'wortel' van de notionele interest naar België worden gelokt, moeten immers vaststellen dat het land op het gebied van aandelenopties een stelsel hanteert dat diametraal staat op hetgeen internationaal tot de geplogenheden behoort en dat onvermijdelijk tot dubbele belasting leidt. Sneeuw. Er is trouwens nog een goede reden waarom het Belgische stelsel aan herziening toe is. In principe is belastbaarheid bij de toekenning van de opties niet onlogisch. In veel gevallen is zo'n stelsel bovendien voordelig. Maar bij sterk schommelende aandelenmarkten riskeer je belasting te betalen zonder dat er uiteindelijk een voordeel is. Want als de beurskoers van de aandelen na de toekenning van de opties keldert, dan heb je wel belasting betaald (bij de toekenning van de opties), maar verdwijnt het financiële gewin vervolgens als sneeuw voor de zon. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck