Zeven procent van de bevolking in de Europese Unie ( EU) heeft werk en is toch arm. In 1999 had Europa 10,9 miljoen working poor. Dat blijkt uit een nieuwe studie - eigenlijk een literatuuronderzoek - dat verricht werd door de European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions. Het onderzoek wordt gepresenteerd op een tweedaags seminarie in Brussel op 1 en 2 juli.
...

Zeven procent van de bevolking in de Europese Unie ( EU) heeft werk en is toch arm. In 1999 had Europa 10,9 miljoen working poor. Dat blijkt uit een nieuwe studie - eigenlijk een literatuuronderzoek - dat verricht werd door de European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions. Het onderzoek wordt gepresenteerd op een tweedaags seminarie in Brussel op 1 en 2 juli. België doet het beduidend beter dan Europa, met slechts 5 % werkarmen. Daarmee hoort ons land tot de beste leerlingen van de klas, samen met de Scandinavische landen, Duitsland en Ierland. Portugal scoort samen met de andere mediterrane landen het slechtst. De studie geeft aan dat werkarmoede dreigt toe te nemen. Dat stelt ook Lieve De Lathouwer vast in een kersverse studie die ze maakte voor het Centrum voor Sociaal Beleid ( Ufsia). Tot nu toe waren in het continentaal-Europese model de minimumlonen de dam tegen de armoede. Maar die dam vertoont enkele breuken. Het minimumloon heeft ten opzichte van de gewone lonen terrein verloren (in België 20 % sinds 1975). Maar het heeft ook geen vat meer op bijvoorbeeld de groeiende groep van deeltijdwerkers die in armoede kunnen verzeilen door hun lage loon. De combinatie van hoge minimumlonen en een dalende vraag naar laaggeschoolde jobs heeft continentaal Europa een hoge werkloosheid opgeleverd, terwijl in Angelsaksische landen lage lonen meer mensen aan een job hebben geholpen. Om armoede te vermijden, wordt het subsidiëren van die lage lonen dan belangrijk. Onlangs is in die landen opnieuw een (laag) minimumloon ingevoerd, omdat werkgevers anders steeds lagere lonen aanbieden. Ze weten immers dat de overheid toch zal bijpassen. Op die manier groeien beide sociale systemen, het Angelsaksische en het continentale, naar elkaar toe. Uit de studie van de European Foundation blijkt ook dat werkarmoede veel ruimer is dan een inkomstenprobleem. In de EU wordt bijna driekwart van de werkarmoede verklaard door familiale oorzaken (eenoudergezin, veel kinderen enzovoort) en dus slechts voor een kwart door lage lonen. In België zijn de cijfers nog veel opvallender: 93,7 % van de werkarmoede is het gevolg van de gezinssituatie. Dat is de hoogste score in de EU. Ook Portugal, Spanje, Ierland en Italië scoren nog hoog, met meer dan 85 %. Aan de andere kant - waar de lage lonen een grotere oorzaak zijn van werkarmoede - vinden we verrassend genoeg Duitsland (42,5 % van de werkarmoede heeft lage lonen als oorzaak). In een land als het Verenigd Koninkrijk, dat een typische lagelonenpolitiek kent, wordt slechts 41,1 % verklaard door die lage lonen. Het aantal lonen in een gezin is van groot belang. Het risico op armoede bedraagt slechts 5 % als een gezin twee of meer verdieners heeft en dat stijgt naar 22 % bij één verdiener en naar 51 % als er geen verdiener is. Voor België valt het op dat de eenverdieners beter af zijn, met slechts 9 % risico op armoede. Tweeverdieners lopen bij ons slechts 2 % risico, het laagste percentage van de EU. Welke maatregelen worden genomen tegen werkarmoede? Aanvankelijk werd er vooral aan werkgeverskant gewerkt door de loonkosten te verlagen. Later werd aan werknemerskant een activeringspolitiek gevoerd, onder andere met het PWA-systeem dat nu vervangen wordt door de dienstencheques. Die aanpak wordt nu aangevuld met maatregelen om werken financieel aantrekkelijker te maken. Ten eerste werden de sociale bijdragen aan werknemerskant verlaagd en werden ook bonussen voorzien om weer aan het werk te gaan. Tegelijk werden lage lonen fiscaal aantrekkelijker gemaakt, onder meer door het belastingkrediet. Lieve De Lathouwer stelt vast dat dit soort maatregelen in Angelsaksische landen een serieus effect heeft op de arbeidsparticipatie en de armoede. Voor continentale landen als België echter is dat niet zo vanzelfsprekend. Hier blijft men afkerig van een inkomenstoets op gezinsniveau, waardoor de maatregelen universeel worden en dus veel duurder. Ook de kleinere inkomensspreiding maakt dat meer mensen er aanspraak op kunnen maken. En bovendien komen ze vaak bij de verkeerde mensen terecht, omdat bijvoorbeeld deeltijds werk (dat een laag loon oplevert) vaak door mensen uit de middenklasse wordt verricht. En de politiek van België om werkstimuli te combineren met de verhoging van uitkeringen, verhoogt de kosten nog meer. De Lathouwer vraagt zich af of dat vol te houden is in een periode van mindere conjunctuur. Guido Muelenaer93,7 % van de werkarmoede in België is het gevolg van de gezinssituatie.