De afschaffing van het brugpensioen staat niet op het programma van de regering-Verhofstadt. Zoals wel meer resultaten van deze enquête niet stroken met de verwachtingen die men mag hebben van een eventueel akkoord tussen regering en sociale partners over de eindeloopbaan. Zo wil ook een derde van de managers het tijdskrediet afgeschaft zien, een ander derde wil het inkrimpen. En de pensioenmalus (minder pensioen voor wie vroeger stopt) blijkt een topprioriteit. Althans bij de werkgevers uit deze enquête, want in de regering wordt er nog nauwelijks over gepraat.
...

De afschaffing van het brugpensioen staat niet op het programma van de regering-Verhofstadt. Zoals wel meer resultaten van deze enquête niet stroken met de verwachtingen die men mag hebben van een eventueel akkoord tussen regering en sociale partners over de eindeloopbaan. Zo wil ook een derde van de managers het tijdskrediet afgeschaft zien, een ander derde wil het inkrimpen. En de pensioenmalus (minder pensioen voor wie vroeger stopt) blijkt een topprioriteit. Althans bij de werkgevers uit deze enquête, want in de regering wordt er nog nauwelijks over gepraat. Wanneer u deze lijnen leest, zult u meer weten. De regering heeft immers na het afsluiten van deze rubriek haar sociaal conclaaf gehouden (afgelopen maandag en dinsdag). De bedoeling was de neuzen in één richting te krijgen in verband met de eindeloopbaan, de financiering van de sociale zekerheid en de welvaartsvastheid van de pensioenen. Eigenlijk had de regering al voor 13 september een onderhandelingsnota over het loopbaaneinde beloofd. Maar interne tegenstellingen over de te volgen weg maakten dat onmogelijk. De vakbonden krijgen daardoor nog minder tijd om te onderhandelen en hun achterban te raadplegen. En dus wordt het twijfelachtig dat Verhofstadt op 11 oktober in zijn State of the Union een sociaal akkoord zal kunnen aankondigen. En zelfs als dat lukt, dan verwachten de door Trends geënquêteerde topmanagers (zie kader: Hoge respons) er niet veel goeds van. 71,9 % van de respondenten denkt dat het (eventueel) bereikte compromis tussen regering en sociale partners een voor hen niet aanvaardbare mix van maatregelen zal opleveren. Een weinig hoopvol cijfer. Nederlandstaligen zijn daarbij nog iets negatiever: 73,8 % verwacht niet veel, tegenover 64 % van de Franstaligen. Wat denken de werkgevers over de verschillende grote onderwerpen in de discussie over de eindeloopbaan? Algemeen wordt aangenomen dat de individuele werkgevers - in tegenstelling tot hun vertegenwoordigers, zoals het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) - het brugpensioen liefst behouden. Met andere woorden, op macroniveau zijn de werkgevers principieel tegen, op microniveau - als het hen goed uitkomt - zijn ze voor. De realiteit blijkt veel genuanceerder. 33,5 % van de geënquêteerden is voor de afschaffing van de brugpensioenleeftijd. Een additionele 31,1 % wil de brugpensioenleeftijd verhogen (25,5 % is voorstander om de leeftijd op te trekken naar 60 jaar). Slechts 14,4 % is voorstander van de huidige 58 jaar. Merkwaardig is dat 8,8 % de leeftijd wil verlagen naar 55 jaar, bij de Franstaligen is dat zelfs 17,3 %. Misschien zijn dat managers die graag zelf op brugpensioen willen gaan? De geënquêteerden zijn wel gebruikers van het brugpensioen. Een derde heeft het al gebruikt de jongste drie jaar en 35,1 % is van plan het ook in de toekomst nog te gebruiken. Wie er al een beroep op heeft gedaan, is wat minder kritisch: slechts 27,8 % wil het nog afschaffen en 18,6 % is voorstander van de huidige regeling. De werkgevers zetten zich daarmee resoluut af tegen de realiteit op hun werkvloer. Want 48,1 % vermoedt dat in hun bedrijf de meerderheid van de vijftigplussers erop rekent vóór hun 60ste jaar te kunnen stoppen met werken. In grotere ondernemingen loopt dat percentage op naar 52,6 % (bij bedrijven met 51 tot 100 werknemers) en zelfs tot 66,7 % (bij ondernemingen met meer dan 250 werknemers). Toch wel ontstellend hoge percentages. Het toont ook aan dat het omkeren van de huidige tendensen van vervroegde uittreding een belangrijke mentaliteitsverandering zal vereisen. Er is hier opnieuw een belangrijk taalverschil. Bij de Franstaligen denkt slechts 30 % dat de meerderheid van de vijftigplussers voor zijn 60ste wil vertrekken, bij de Nederlandstaligen is dat 52,5 %. Misschien een weerspiegeling van het feit dat brugpensioen in Vlaanderen veel meer gebruikt wordt? De grootste groep respondenten (43,4 %) vindt dat de pensioenleeftijd op 65 jaar moet blijven bestaan. Toch nog 26,9 % opteert voor 60 jaar. Andere jaartallen krijgen slechts een marginaal aantal voorkeuren. Een verlenging boven de 65 jaar is slechts voor 8,1 % een optie. We vroegen de geënquêteerden ook welke maatregel voor hen prioritair was (ze konden daarbij slechts één mogelijkheid kiezen). Het behoud van de pensioenleeftijd op 65 vindt slechts 20,8 % heel belangrijk of belangrijk en 42,7 % vindt het zelfs ronduit onbelangrijk. Opvallend is dat Franstaligen dit punt belangrijker vinden: 38 %. 50 % is er voorstander van om de pensioenleeftijd te vervangen door het effectief gewerkte aantal jaren. Opvallend is dat de Franstaligen hier heel wat minder in geloven (slechts 38 %). Dit is een duidelijke hint om over te schakelen van een leeftijdsbenadering naar een loopbaanbenadering. Dat zat vervat in de eerste voorstellen van de regering in de nota Actief Ouder Worden. Tegen 2011 zou een loopbaan van veertig jaar nodig zijn om nog op brugpensioen te kunnen gaan. De vakbonden vonden dat onverantwoord omdat volgens hen op die manier het brugpensioen voor bijna iedereen onmogelijk zou worden. Alles wijst erop dat de loopbaanbenadering niet of slechts gedeeltelijk een plaats zal krijgen in het uiteindelijke regeringsvoorstel. Zegt een respondent: "Indien de 40-jarige loopbaan uit het akkoord zou verdwijnen, dan zullen de ondernemingen hiervoor een zware kostprijs betalen, met alle gevolgen vandien." Toen de geënquêteerden gevraagd werd wat voor hen de prioritaire maatregel is, dan kwam als onbetwiste nummer één uit de bus: langer werken moet lonender zijn dan vroeger stoppen. 41,7 % van de respondenten zet dat op nummer één. Ver daarachter kregen nog vier andere maatregelen een belangrijk aantal stemmen achter zich: een loonkostenverlaging voor vijftigplussers, de pensioenmalus, geen pseudo-pensioenen, en het toelaten van arbeid na 65 jaar. De pensioenmalus krijgt van de werkgevers uit onze enquête overweldigend veel bijval: 81,5 % vindt dit een belangrijke of heel belangrijke maatregel. De pensioenmalus dook voor het eerst op in de regeringsnota Actief Ouder Worden. De idee is dat voor ieder jaar dat men vroeger op pensioen gaat er een percentage van het pensioen moet worden ingeleverd (4 % volgens het voorstel uit de nota). Opnieuw steigerden de vakbonden. Erg hard moesten ze zelfs niet roepen, want de nota was nog niet koud of Bruno Tobback, minister van Pensioenen (SP.A), riep al dat de pensioenmalus geen voorstel van de regering was. De pensioenmalus lijkt momenteel niet langer in het onderhandelingspakket voor te komen. De regering zou zich beperken tot de pensioenbonus: wie langer werkt, krijgt een hoger pensioen. Het tijdskrediet, de opvolger van de loopbaanonderbreking, wordt verketterd door de werkgevers. 32,8 % van de respondenten wil de maatregel afschaffen, 30,8 % wil tijdskrediet inkrimpen tot bepaalde categorieën. En slechts 11,1 % vindt het systeem goed zoals het nu is. Bij de Franstaligen is het aantal managers zonder mening hierover veel groter (32,7 % tegenover 10,8 % bij de Nederlandstaligen), wat waarschijnlijk een weerspiegeling is van het feit dat in Wallonië het tijdskrediet minder wordt toegepast. Uit de enquête blijkt ook dat het tijdskrediet voor de kleine bedrijven een groter probleem is dan voor de grotere ondernemingen. Het zijn immers alleen de kleine ondernemingen (tot 50 werknemers) die het systeem eerder willen afschaffen dan inkrimpen (34,7 % voor afschaffen tegenover 26,5 % voor inkrimpen). "Het is een rampinitiatief," zegt een respondent. Bij alle andere bedrijven is het net omgekeerd en hoe groter het bedrijf, hoe groter de wens om in te krimpen (55,6 % bij ondernemingen met meer dan 250 werknemers). De inkrimping is een eis van de werkgeversorganisaties, tegenover de vakbonden die het willen uitbreiden. Maar dat een derde van de werkgevers het tijdskrediet radicaal wil afschaffen, is toch wel een probleem. Tony Vandeputte, ex-gedelegeerd bestuurder van het VBO, verklaarde in Trends van 8 september 2005 nog dat de werkgevers in de toekomst meer zullen moeten denken aan flexibiliteit voor de werknemers, omdat er geen materiële voordelen meer gegeven kunnen worden. Vandeputte heeft zelf in 2000 mee over het tijdskrediet onderhandeld en het toegestaan vanuit die filosofie. Voor Vandeputte moet die toegeeflijkheid wel gepaard gaan met meer flexibiliteit voor de werkgevers. Het blijkt een strategie die een groot deel van de werkgevers nog niet bereid is te volgen. De meerderheid van de bedrijven uit de enquête (61,3 %) heeft in 2004 één tot vijf aanwervingen verricht. 16,2 % wierf niemand aan. Bij de bedrijven die aanwervingen deden, verrichte 66,5 % geen aanwervingen van werknemers ouder dan 50 jaar. En dat is toch wel een ontstellende realiteit. In 2005 krijgen we een gelijkaardig beeld. Er werd bij 56,5 % van de bedrijven tussen één en vijf werknemers aangeworven. Het is lichtjes hoopgevender dat het aantal ondernemingen dat geen vijftigplussers aanwierf, 'slechts' 56,3 % bedroeg, tien procentpunten minder dan in 2004. Zowel in 2004 als in 2005 deden de Franstaligen het op dat vlak lichtjes beter. Als bedrijven toch werknemers ouder dan 50 aanwerven, dan doen ze dat vooral vanwege de ervaring van de werknemer. De hoofdreden om het niet te doen, zijn de te hoge loonkosten. Een loonkostenverlaging voor nieuw aangeworven vijftigplussers noemt 77,1 % belangrijk of heel belangrijk. En 14 % zou zeker vijftigplussers aanwerven als de loonkosten voor hen lager zouden zijn. 44,4 % zou dat waarschijnlijk doen. Ook dit resultaat speelt in op de ideeën die in de regering leven. Verhofstadt en de zijnen willen de lastenverlaging vooral ten goede laten komen aan werknemers ouder dan 50 of 55 jaar. Uit studies van het Planbureau blijkt trouwens dat die oudere werknemers het meest profiteren van een specifieke lastenverlaging. Opvallend is dat 21,6 % van de respondenten aangeeft dat ze geen ouderen in dienst hebben genomen omdat ze vooral jongeren een kans willen geven. Dat de loonkosten duur zijn, is ook het gevolg van de hoge lonen van ouderen. Dat is voor de bedienden het gevolg van de anciënniteitsschalen: elk jaar stijgt het loon automatisch. Arbeiders kennen geen weddeschalen. In de discussie over de eindeloopbaan liggen die barema's fel onder vuur en velen pleiten voor de afschaffing ervan. De enquête toont echter dat dit enerzijds geen wondermiddel is en anderzijds ook niet steeds gewenst is. 55,9 % van de respondenten heeft immers geen weddeschalen voor zijn bedienden. 32,2 % heeft wel een barema, maar is niet van plan dat af te bouwen. Slechts 6,4 % gaat dat wel doen. Dat het niet zo goed loopt met het aanwerven van ouderen, blijkt ook uit de topvijf van prioriteiten. Het aanmoedigen van een leeftijdsbewust personeelsbeleid om zo ouderen langer in dienst te houden, valt daarbuiten. Ook al vindt 69,9 % dat wel belangrijk of heel belangrijk. Maar dus geen prioriteit boven de andere. Nochtans is er nog veel werk aan de winkel op de bedrijfsvloer. Dat blijkt ook uit de arbeidsomstandigheden van vijftigplussers. In 41 % van de bedrijven uit de enquête werken sommige van de vijftigplussers deeltijds. Een formele opleidingstaak hebben ze meestal niet, maar mentoring van jongeren is wel belangrijk: in 47,1 % van de ondernemingen doen alle of sommige vijftigplussers dat. Ten slotte krijgt iets meer dan de helft van de werknemers ouder dan vijftig jaar geen opleidingen of herscholingen. Daar schuilt een groot probleem. Want ouderen kunnen alleen aan de slag blijven als ze worden bijgeschoold. De respondenten kregen de kans ook aanvullende commentaar te geven. Vaak geeft dat bij enquêtes een beperkte respons, zeker bij een enquête als deze, die toch redelijk lang en specifiek was. Toch gaven 603 mensen (op een totaal van 777) vrijwillig commentaar op de vraag waarom ze optimistisch of pessimistisch zijn. De optimisten waren in een schrikwekkende minderheid. Opvallend is dat ruim 200 managers expliciet zeggen dat ze vrezen dat we geen stap vooruit raken vanwege de grote vakbondsmacht en het te weinig flexibele karakter van de vakbonden. Zegt een werkgever: "De vakbond blijft halsstarrig weigeren om verworven privileges uit het verleden die nu niet langer houdbaar zijn, op te geven, uit angst om een deel van zijn achterban en macht te verliezen." Nog talloze anderen maken impliciet een verwijzing naar de grote en conservatieve vakbondsmacht. Misschien is dat geen grote verrassing van werkgeverskant, maar het hoge aantal voor de vakbond negatieve antwoorden zonder dat er expliciet naar gevraagd is, is toch erg opvallend. Des te jammer omdat uit onderzoek blijkt dat een moderniseringsbeleid vooral lukt in landen waar sociale partners en regering samenwerken aan één doel. Concludeert een respondent: "Zoals de sociale partners nu bezig zijn, zal het orkest ook nog spelen terwijl de sociale zekerheid zinkt."Guido Muelenaer56,3 % van de aanwervende ondernemingen heeft in 2005 geen vijftigplussers gerekruteerd.