Manisch-depressief gedrag: daardoor worden de beurzen vandaag getypeerd. Beurshuizen werven maar beter een psychotherapeut aan. Zelfs de gang van zaken in de echte economische wereld biedt geen houvast meer: beurs en economie stuiven soms verschillende kanten uit, en de toekomstige marsrichting van beide is gehuld in dichte mist.
...

Manisch-depressief gedrag: daardoor worden de beurzen vandaag getypeerd. Beurshuizen werven maar beter een psychotherapeut aan. Zelfs de gang van zaken in de echte economische wereld biedt geen houvast meer: beurs en economie stuiven soms verschillende kanten uit, en de toekomstige marsrichting van beide is gehuld in dichte mist.Ook voor eresenator en voormalig beursvoorzitter Etienne Cooreman, gepokt en gemazzeld in de financiële wereld, is alle rationaliteit zoek: "De economie moet eigenlijk de basis van de beurs zijn. Maar de beurs is te emotioneel - denken we maar aan hoe ze zich in de jaren negentig vergaloppeerde. Nu gebeurt het omgekeerde: ze is te pessimistisch, want de economie is er veel beter aan toe dan bijvoorbeeld in 1981-1982." Etienne Cooreman lag in die dagen mee aan de basis van een KB dat de belegger weer naar de beurs moest lokken. De beurzen hadden er toen net veertien jaar zonder enige koerswinst opzitten, en het zou tot 1992 duren voor een belegging op de beurs sneller in waarde toenam dan de inflatie. Etienne Cooreman pleit vandaag opnieuw voor zo'n zogenaamd KB 15, zodat weer meer particulieren met hun geld naar de beurs trekken (zie ook Cash! van deze week). Stefan Duchateau, algemeen directeur van KBC Asset Management, zegt niet verbaasd te zijn over het eigenzinnige gedrag van de beurzen: "Men vergeet dat in de klassieke jaarvoorspelling - de beurzen stijgen met 7% tot 8% - een foutenmarge van 20% zit. De eindafrekening kan dus variëren van plus 27% tot min 13%. De beurs is ook geen spiegel van de economie, ze is dat trouwens nooit geweest. De koersen zijn niks anders dan de som van de verwachte bedrijfswinsten die op een of andere manier verdisconteerd worden tot een actuele waarde." De beurs verhandelt dus toekomstverwachtingen. Bij de hic et nunc-waardering van de bedrijfswinsten is behalve de rente - hoe lager de rente, hoe groter de huidige waarde van die bedrijfswinsten - ook de risicopremie van tel. Als beleggers vrezen dat de toekomstige winsten wel eens flink zouden kunnen tegenvallen - omdat bijvoorbeeld bedrijven failliet kunnen gaan, omdat ondernemingen in het verleden met de cijfers hebben geknoeid, omdat de economie in het slop kan geraken, of omdat er een wereldbrand kan uitbreken - dan eisen die beleggers een vergoeding voor het te nemen risico. Alle vier de opgesomde risicofactoren beheersen vandaag het nieuws, en dus worden er vraagtekens geplaatst bij de toekomstige kasstromen waarop een aandeel recht geeft. Bijgevolg is de risicopremie hoog, en kwakkelen de beurzen. Stefan Duchateau: "De daling van de risicopremie lag aan de basis van het beurssucces van de jaren negentig. Maar de klassieke stelling dat aandelen op termijn beter presteren dan obligaties, is maar een halve waarheid. Risico neemt immers toe met de looptijd." Een verklaring voor de huidige hoge risicopremie is de economische onzekerheid. "De economie is niet sterker dan in 1982," zegt Geert Noels, chief economist bij Petercam. "Meer nog, de wereldeconomie is er de voorbije zeventig jaar nooit zo slecht aan toe geweest. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan de VS en Japan. Mocht de toestand niet dramatisch zijn, dan vraag ik mij af waarom de centrale banken paniekvoetbal spelen. En wat betreft de bedrijfswinsten: bij de Amerikaanse bedrijven uit de S&P 500- index is het verschil tussen de pro-formacijfers en de werkelijke resultaten zo groot dat een schatting onmogelijk wordt, terwijl de koersen nog altijd steunen op die siliconenwinsten." Of de Europese economie het dan beter doet dan de Amerikaanse, daar zijn Noels en Duchateau het niet over eens. Duchateau: "In de VS is de inflatie laag en de groei behoorlijk dankzij flinke productiviteitsstijgingen. Ik kan uit geen enkel cijfer afleiden dat Europa het beter doet dan de VS. In Amerika blijft de verbruiker spenderen, terwijl de consument in Europa het al bij de eerste onweerswolk laat afweten." Maar, zegt Geert Noels: "Het is niet omdat de VS een reële groei van 2,5% optekent, dat dit een teken van blakende gezondheid is. Voor Japan was 1998 het eerste jaar met negatieve groei, hoewel de problemen er al in 1991 begonnen. De VS kent dankzij de stimuli van Fed-voorzitter Alan Greenspan en president George Bush een opgefokte groei die een vals beeld geeft. Europa boekte vorig jaar een tragere groei, maar deed dat zonder enige stimulus. De Amerikaanse economie rijdt op epo, de Europese op puur natuur, en ze eindigen op een verschil van een half procent. Dan zeg ik: chapeau voor Europa." Duchateau gebruikt liever een ander beeld: "Rijdt de VS op een fiets, dan spurt Europa op twee lekke banden. Het heeft geen zin om onze kop in het zand te steken: zonder structurele maatregelen zullen er in Europa meer en sneller jobs verloren gaan dan de overheid durft toe te geven."