Wellicht heeft niemand u een goede economische groei voor 2005 gewenst, of het moet minister van Begroting Johan Vande Lanotte (SP.A) geweest zijn. De vice-premier rekent dit jaar immers op een groei van 2,5 % om de begroting sluitend te maken. Het zal echter flink moeten meezitten om dat cijfer te halen. De conjunctuuranalisten houden het bij een groei van 1,7 % à 2,3 % (zie kaderstuk: 2005: tragere groei). De Nationale Bank houdt nog vol dat de economie dit jaar 2,5 % zal groeien, al is dat eerder een politiek neutrale opstelling in het kader van de lopende loononderhandelingen. De Nationale Bank voorspelt gewoon het groeicijfer van 2004 ook voor dit jaar.
...

Wellicht heeft niemand u een goede economische groei voor 2005 gewenst, of het moet minister van Begroting Johan Vande Lanotte (SP.A) geweest zijn. De vice-premier rekent dit jaar immers op een groei van 2,5 % om de begroting sluitend te maken. Het zal echter flink moeten meezitten om dat cijfer te halen. De conjunctuuranalisten houden het bij een groei van 1,7 % à 2,3 % (zie kaderstuk: 2005: tragere groei). De Nationale Bank houdt nog vol dat de economie dit jaar 2,5 % zal groeien, al is dat eerder een politiek neutrale opstelling in het kader van de lopende loononderhandelingen. De Nationale Bank voorspelt gewoon het groeicijfer van 2004 ook voor dit jaar. Is dat nu veel of weinig, een groei van zo'n 2 %? Historisch gezien is dat een fantastische prestatie. De mensheid heeft geen of nauwelijks economische groei gekend. Onze beperkte spierkracht legde elke groei aan banden, tot de industriële revolutie deze ketens doorbrak. Een groei van 0,1 % stond vóór de komst van de stoommachine gelijk met hoogconjunctuur. Groeicijfers van enkele procenten per jaar zijn eigenlijk een heel recent en uniek gegeven voor de wereldeconomie. In de twintigste eeuw produceerde de mensheid méér dan in de hele geschiedenis daarvoor. Maar binnen de twintigste eeuw, en in vergelijking met andere westerse geïndustrialiseerde landen, is een groei van ongeveer 2 % matig te noemen. België haalde in de twintigste eeuw een gemiddelde groei van 2,3 %. De welvaart vernegenvoudigde tijdens de vorige eeuw (zie grafiek 1: Economische groei in België tussen 1900 en 2000). Twee wereldoorlogen en de depressie van de jaren dertig wogen echter zwaar op dit cijfer. Het naoorlogse gemiddelde is 3,2 %, en de grafiek toont aan dat de welvaartscreatie pas in de tweede helft van de eeuw op toerental kwam. Tot de Eerste Wereldoorlog groeide de Belgische economie rustig maar gestaag. De gemiddelde groei bedroeg 2 % en het land bleef bespaard van recessies. De Eerste Wereldoorlog vaagde die welvaartswinst brutaal weg (1). In 1918 kromp de economie met bijna een vijfde, en aan het einde van de oorlog lag de welvaart op 87 % van het peil van 1900. Na een forse herstelbeweging - in 1919 groeide de economie met 18 %, een absoluut record - werd de groei doorgetrokken tijdens de roaring twenties (2), een periode van stevige groei onder impuls van de doorbraak van de auto en de elektriciteit. In 1929 was het Belgische bruto binnenlands product (BBP) dubbel zo groot als aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Maar ook België ontsnapte daarna niet aan de wereldwijde depressie van de jaren dertig (3). Tussen 1929 en 1932 kende België vier opeenvolgende jaren met een krimpende economie, met 1932 (-4,5 %) als triest dieptepunt. In 1938 was de Belgische welvaart weer onder het niveau van 1928 gedoken. De jaren dertig waren economisch gezien een verloren decennium. In 1939 was er een tijdelijke forse heropflakkering, maar tijdens de eerste vier oorlogsjaren kende België nog eens vier jaar van negatieve groei (4). Het herstel begon echter al in 1944 en was fors. Tegen 1951 was de welvaart met 70 % toegenomen, en was de Belgische economie dubbel zo groot als in 1900. De jaren vijftig verliepen voor België relatief minder voorspoedig. Een behoorlijke groei was wel de norm, maar toch kende ons land twee jaren met negatieve groei: 1952 (-0,8 %) en 1958 (-0,1 %). België had in die jaren de naam de zieke man van Europa te zijn. Maar toen was het de beurt aan de golden sixties, die tot in 1974 ongekende welvaart brachten (5). De gemiddelde groei in die periode bedroeg 5 % en de welvaart verdubbelde in die vijftien jaar tijd. De oliecrisissen maakten een einde aan het feest en het was vooral in het begin van de jaren tachtig dat de Belgische economie bijna tot stilstand kwam (6). De economie kampte met een zwaar competitiviteitsprobleem. Daarop reageerde de regering in 1982 met de devaluatie van de frank en een beleid van (loon)matiging. De groei hernam en België kende tot op vandaag slechts één jaar met negatieve groei, 1991 (7), in het zog van een internationale recessie die werd versterkt door de eerste Golfoorlog. Toch heeft de Belgische economie het naoorlogse groeiritme tot 1974 niet meer teruggevonden. De trendgroei is vertraagd, al valt het wel op dat ondanks de tragere groei de recessies milder van karakter zijn geworden. Recessies hebben eerder de vorm van langdurige groeivertragingen aangenomen, zoals we in de periode 2001-2003 ervaren hebben. De Belgische groei deinde de voorbije honderd jaar mee op de internationale conjunctuurgolven. De westerse wereld kende een gemiddelde groei van bijna 3 % tot de Eerste Wereldoorlog, bijna 4 % tussen de wereldoorlogen, ruim 5 % in de periode 1945-1973, en 2,6 % in de periode 1973-2000. Is er beterschap op til? De Belgische economie presteerde in 2004 verrassend sterk en groeide liefst een procentpunt sneller dan het gemiddelde van euroland. Verklaringen voor het raadsel: de repatriëring van zwart, grijs en wit geld in het kader van de fiscale amnestie en vooral de Europese spaarrichtlijn, de verlaging van de successierechten, lagere belastingen en een begroting in evenwicht. Allemaal factoren die de consumptie aangewakkerd zouden hebben. Wat ook moet hebben meegespeeld, is een inhaalbeweging. In de periode 2001-2002 groeide de Belgische economie trager dan die van de eurozone. In de jongste tien jaar volgde België het groeiritme van euroland (zie grafiek 2: België houdt gelijke tred met euroland), net zoals we dat de voorbij honderd jaar gedaan hebben. Bovendien is de matige gemiddelde prestatie van euroland ook te wijten aan de hortende groei in Duitsland. België deed het bijvoorbeeld even goed als Frankrijk en minder dan Nederland de laatste tien jaar. De conjunctuuranalisten schatten de kans dat België het zoals in 2004 beduidend beter dan de eurozone blijft doen, heel klein in. En welke groei brengt de toekomst? Met een gemiddelde groei van 2 % per jaar zal de Belgische economie in 2100 ruim zeven keer groter zijn dan vandaag. In euro's van 2005 betekent dat een BBP van ruim 2000 miljard euro in 2100. Een doorbraak van nieuwe technologieën en toepassingen kan een nieuwe groei-impuls geven, maar het is ook mogelijk dat de vergrijzing en ontgroening het groeiritme afroomt omdat de beschikbare beroepsbevolking afneemt. Over niet minder dan tien jaar zal de Vlaamse beroepsbevolking beginnen te krimpen, en tegen 2050 zal de Vlaamse arbeidsvoorraad met ruim een half miljoen mensen gedaald zijn. De Studiecommissie voor de Vergrijzing becijferde dat bij een stabiele werkgelegenheidsgraad in België - wat zeer onwaarschijnlijk is omdat de participatie van de vrouwen spontaan zal toenemen en er al een beleid op gang gekomen is om meer mensen aan de slag te krijgen - de reële inkomensgroei per inwoner zou vertragen van gemiddeld bijna 2 % in de jongste tien jaar tot goed 1 % tegen 2030. En dat procentje verschil maakt heel wat uit, want in het scenario dat de groei vertraagt naar 1 % zal de welvaart tegen 2100 maar half zo hoog zijn als bij 2 % groei. Dat is een factuur van 1000 miljard euro die we best vermijden. Daan KillemaesAls de groei vertraagt naar 1 %, kost ons dat 1000 miljard euro tegen 2100.