Eén zaak is duidelijk in de bouwshiftplannen van de Vlaamse overheid: we zullen op sommige plekken moeten verdichten. Maar met welke woonvormen moeten we die ambitie waarmaken? En hoe kunnen we verdichten zonder de leefbaarheid van een wijk onder druk te zetten? Volgens architect en onderzoeker Glenn Lyppens valt veel te leren van collectieve woonvormen en verkavelingsmodellen die de tand des tijds hebben doorstaan. Hij bestudeert die voor zijn doctoraatsthesis aan de Universiteit Antwerpen. Met POLO Labs, de onderzoekscel van POLO Architects, koppelt hij die kennis aan de praktijk.
...

Eén zaak is duidelijk in de bouwshiftplannen van de Vlaamse overheid: we zullen op sommige plekken moeten verdichten. Maar met welke woonvormen moeten we die ambitie waarmaken? En hoe kunnen we verdichten zonder de leefbaarheid van een wijk onder druk te zetten? Volgens architect en onderzoeker Glenn Lyppens valt veel te leren van collectieve woonvormen en verkavelingsmodellen die de tand des tijds hebben doorstaan. Hij bestudeert die voor zijn doctoraatsthesis aan de Universiteit Antwerpen. Met POLO Labs, de onderzoekscel van POLO Architects, koppelt hij die kennis aan de praktijk. GLENN LYPPENS. "Vaak is dat het geval, ja. Ik woon in een buurt met rijwoningen met een tuin. Af en toe worden woningen afgebroken en vervangen door een appartementsgebouw. Dat is verdichten, want er komen wooneenheden bij. Maar de stedenbouwkundige meerwaarde van zulke projecten is meestal gering. Buiten de grenzen van de eigen kavel voegen ze doorgaans weinig kwaliteit toe. "Op Instagram en LinkedIn toon ik vaak verdichtingsmodellen die een soort tussenruimte creëren en waarvan de kwaliteit ook afstraalt op het publieke domein. In de negentiende eeuw zijn door de groei van de steden veel interessante modellen ontstaan, zoals de Vlaamse arbeidersbeluiken. In opdracht van het Gentse stadsbestuur maken we met POLO een inventaris en een renovatiestudie van 121 beluiken. Bouwfysisch zijn die vandaag vaak problematisch, maar het zijn wel betaalbare woonmilieus met doorgaans een sterk nabuurschap door de collectieve stegen. Of neem de Parijse appartementsontwikkelingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw die zijn opgevat als cul-de-sacs waaraan de woonunits zijn gekoppeld. Vanuit de straat betreed je via een hekwerk een open binnenplaats waaraan vaak ateliers of buurtfuncties liggen. Vandaar neem je de lift naar je appartement. Die tussenruimte is een etappe tussen publiek en privaat, die een verblijfskwaliteit oplevert." LYPPENS. "Regelgeving is soms een hindernis. Het Parijse voorbeeld is in Antwerpen niet mogelijk omdat de bouwcode het niet toelaat. Dat heeft onder meer te maken met de brandveiligheid. Daarnaast speelt dat de vastgoedsector nog te weinig vertrouwd is met alternatieve verdichtingsmodellen. Er is behoefte aan bewustmaking bij projectontwikkelaars en beleidsmakers. Ik geloof dat ontwikkelaars openstaan voor proefprojecten. Het Pandreitje in Brugge is een gedurfd project dat met complexe stapelingen een hoge densiteit heeft bereikt. Het is er al twintig jaar aangenaam wonen. Het kan, maar je hebt af en toe een projectontwikkelaar nodig die de platgetreden paden durft te verlaten." LYPPENS. "Dat is juist, er zijn nog te weinig goede voorbeelden. Maar dat wil niet zeggen dat er geen interessante projecten opduiken. Ik denk aan Boechout Midden, een gemengd project dat een dorpse en parkachtige setting creëert. Een voorbeeld uit eigen huis is De Heern in Herentals. We ontwikkelen daar een woonerf en een parkje met diverse woningtypes, waaronder een soort residentiële klokkentoren. Hoge densiteit gaat er samen met een woonmodel dat iets teruggeeft aan de stad." LYPPENS. "Langs het water of in een open landschap kunnen woontorens op hun plaats zijn. Torens genereren een hoge densiteit op een kleine oppervlakte en besparen dus ruimte. Het probleem met torens is dat ze geen andere gebouwen in de buurt dulden, omdat ze die in de schaduw zetten. Voor de stedelijke morfologie is een soort weelde van verschillende gebouwen en publieke ruimten net heel belangrijk." LYPPENS. "Voor elke densiteitslaag moet je een vorm van ontluchting organiseren, zodat er voor de gebruikers een aangenaam woonmilieu ontstaat. Robuuste tussenruimtes zijn sociale ventielen. Het is een gebied op de scheidingslijn tussen publieke en private ruimte. De bewoners kunnen het zich toe-eigenen, maar er blijft een link met de stad. Er kunnen ontmoetingen ontstaan. Goede tussenruimte heeft ook een impact op de ecologie van een wijk. Ik maak me zorgen over stedelijke collectieve woonvormen die zich uitsluitend op de eigen kavel richten en organiseren. "Onze Vlaamse begijnhoven zijn een interessant voorbeeld. Oorspronkelijk waren dat gated community's voor alleenstaande vrouwen. Vandaag zijn het plekken die midden in de stad luwte en groen bieden aan de bewoners, maar ook voor mensen uit de buurt of passanten. Dat ruimtelijke model is in vijf eeuwen nooit aangepast. Dat toont aan dat het robuust is. Daarmee wil ik niet wil zeggen dat we in onze steden volop begijnhoven moeten creëren. De rijkdom van een stad is gelegen in de verscheidenheid." LYPPENS. "Ik ben niet tegen cohousing. Het is een interessant model dat minstens een oplossing kan bieden voor problemen van betaalbaar wonen en vereenzaming. Maar veel mensen worden niet echt warm van het concept. We moeten ook bewustmaken rond modellen waar het collectieve niet van afdruipt: een autoluw woonerf of een gedeeld portiek. Die liggen dichterbij dan de meeste mensen denken."