" Ik heb anderhalf jaar in New York gewoond en gewerkt, en ik moet toegeven dat ik Antwerpen soms miste", zegt professor Maarten Van Acker. Nu weten Antwerpenaren al langer dat hun stad niet onderdoet voor The Big Apple, maar ze appreciëren het nog wel als een stedenbouwkundige dat ook erkent.
...

" Ik heb anderhalf jaar in New York gewoond en gewerkt, en ik moet toegeven dat ik Antwerpen soms miste", zegt professor Maarten Van Acker. Nu weten Antwerpenaren al langer dat hun stad niet onderdoet voor The Big Apple, maar ze appreciëren het nog wel als een stedenbouwkundige dat ook erkent. Maarten van Acker verhuisde twintig jaar geleden van Gent naar Antwerpen. Hij doceert stedenbouw aan de Universiteit Antwerpen. Hij is onder meer ook bestuurslid van de internationale ontwerpwedstrijd Europan Belgium, van de Unesco-commissie van de Stad Brugge, van het Oostendse StadsAtelier en van de Kwaliteitskamer Kaaien Stad Aalst. Op de vraag wat Antwerpen zo aantrekkelijk maakt, antwoordt hij: "Het heeft alle ingrediënten van een grootstad, maar het blijft overzichtelijk en gezellig. In New York werd ik soms overweldigd door de enorme anonimiteit en de ratrace." MAARTEN VAN ACKER. "De stad heeft daar zeker een rol in te spelen, maar dat geldt evenzeer voor projectontwikkelaars, aannemers, architecten en stedenbouwkundigen. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Wonen betaalbaar houden voor gezinnen is een van de grootste uitdagingen in Vlaanderen. In populaire steden als Leuven, Antwerpen en Gent is het nog meer aan de orde. Daar wordt veel gebouwd, maar dan vooral appartementen met een of twee slaapkamers. Door de vergrijzing en de gezinsverdunning valt daar iets voor te zeggen. De realiteit is echter ook dat een modaal gezin nog moeilijk aan de bak komt op de woningmarkt van die steden. En dan heb ik niet alleen over de koopmarkt, maar ook over de huurmarkt. "Men is zich wel bewust van dat probleem. Er zijn interessante initiatieven, zoals de oprichting van Community Land Trusts in Gent en Brussel, of wooncoöperaties, zoals onlangs nog in Antwerpen. In de Antwerpse Cadixwijk start binnenkort ook de bouw van een project met een verplicht aanbod betaalbare, gezinsvriendelijke woningen. De stedelijke overheden zouden een nog actievere rol kunnen spelen door de gronden die ze in eigendom hebben, niet te verkopen, maar in concessie te geven. De projectontwikkelaar verkoopt dan alleen de woningen, zonder de grondwaarde. Dat is ook een manier om de prijzen te drukken." VAN ACKER. "Ik vind die minimumnormen een goede zaak, maar ze zijn geen garantie voor kwalitatief wonen. Een gevaarlijke trend is dat die minima de norm worden. Je krijgt dan appartementjes met net voldoende terrasruimte, net voldoende bergruimte. Ik begrijp de tegenkanting van de projectontwikkelaars ook wel. Al te stringente regels en normen staan soms creatieve oplossingen en out-of-the-box-denken in de weg. Een oplossing is bijvoorbeeld met een kwaliteitskamer te werken, waar door het bestuur aangestelde architecten en stedenbouwkundigen onderhandelen met de projectontwikkelaar, om samen tot een beter project te komen." VAN ACKER. "Daarom is het beter dat de kwaliteitskamer geen eindoordeel velt, maar in een workshopformule op zoek gaat naar de beste en gedragen oplossingen." VAN ACKER. "Absoluut. Er keren al mensen terug, vooral mensen die in de jaren zeventig en tachtig een villa hebben gebouwd in de groene rand en nu vaststellen dat ze die niet meer deftig kunnen onderhouden. In de stad vinden ze alle voorzieningen op wandelafstand. Dat is meestal wel een kapitaalkrachtiger publiek. "Voor een modaal gezin met een modaal inkomen is het veel moeilijker om een geschikte woning te vinden in de stad. Sommige projectontwikkelaars hebben dat begrepen, en zetten meer in op collectieve woonvormen. Veel mensen associëren dat met cohousing, maar dat bedoel ik niet. In zo'n collectieve woonvorm heeft elk gezin zijn eigen woning of appartement met een eigen tuintje of terras, maar delen de gezinnen ook dingen als een speelveldje, een zwemvijver of een feestzaaltje. Door ruimte te delen krijgen ze meer woonkwaliteit voor hun geld. "Om mensen echt te overtuigen van wonen in de stad is kwalitatieve buitenruimte cruciaal. Een terras van een paar vierkante meter, waar je met moeite een stoel en een vuilnisbak kunt zetten, is niet voldoende. Dat hebben we tijdens de coronacrisis gezien. In die collectieve woonvormen kun je met creatieve oplossingen, zoals een collectieve daktuin of binnenplaats, wel een volwaardig en veilig alternatief aanbieden. Het stemt me optimistisch dat projectontwikkelaars die zich voorheen toelegden op klassieke verkavelingen, dat beginnen op te pikken." VAN ACKER. "Op de juiste plaats moet een toren kunnen, op voorwaarde dat hij ook iets teruggeeft aan de buurt. Ik zie drie vaak voorkomende fouten bij hoogbouw. Eén: een erg uniforme invulling. In een woontoren waar elke verdieping gelijk is met allemaal dezelfde appartementen creëer je een soort verticale getto's. De interessantere woontorens zijn die waar verschillende soorten gezinnen samenwonen. Twee: te weinig voorzieningen. De bewoners moeten ook naar de winkel, hebben kinderen die willen spelen. Het is dus maar normaal dat je in de sokkel buurtvoorzieningen inpast, zoals een crèche, een kleine supermarkt. Je kunt ook boven in de toren fantastische ontmoetingsplaatsen creëren: een restaurant met een prachtig uitzicht, een knappe fitnessruimte. "Een derde vaak voorkomende fout heeft te maken met de publieke ruimte rond de toren. Zo'n toren heeft een grote impact op zijn omgeving. Er is een zekere afstand nodig tussen de toren en de omgeving. Vaak gaat te weinig aandacht naar de manier waarop die publieke ruimte wordt ingericht, met als resultaat een saaie grasmat of een triestig plein. De initiatiefnemers hebben daarin een belangrijke verantwoordelijkheid. Ze mogen die niet zomaar afwimpelen op de lokale overheid." VAN ACKER. "Zeer zeker. Maar in een grote stad als Antwerpen, met een breed aanbod van voorzieningen, is dat niet zo'n grote uitdaging. Het is hier vooral een kwestie om die voorzieningen ook op een duurzame en veilige manier bereikbaar te maken, met de fiets of te voet. De grote uitdaging in Vlaanderen is die vijftienminutenstad ook te realiseren in het buitengebied en de dorpen."