Door de hoge inflatie ziet het Planbureau dit jaar een dalende koopkracht bij de Brusselse (-0,8 procent), Vlaamse (-0,4 procent) en Waalse (-0,2 procent) gezinnen. Maar vanaf volgend jaar wordt in elk gewest opnieuw een stijging van het reëel beschikbaar inkomen per inwoner verwacht. Die toename komt er onder meer doordat de indexeringen van de lonen en van de sociale uitkeringen in 2023 de inflatie zullen overtreffen.

Vervolgens zal de reële koopkracht in de periode 2024-2027 opnieuw een toename kennen die vergelijkbaar is met de periode vóór de coronacrisis. In Vlaanderen (+1,1 procent per jaar) zal die stijging nipt lager liggen dan in Wallonië (+1,2 procent) en Brussel (+1,4 procent). In het hoofdstedelijk gewest zullen in de eerste plaats de lonen een grote bijdrage leveren aan de inkomensstijging. In Vlaanderen en Wallonië spelen de pensioenen een relatief grotere rol.

Economisch herstel

Het Planbureau stipt ook aan dat de inflatie dit jaar eveneens een rem zet op het economisch herstel, na de duidelijke groei in 2021. Vanaf volgend jaar moet bovendien ook rekening worden gehouden met een vertraging van de groei van de potentiële internationale uitvoermarkten en met een afgezwakte inhaalbeweging van de particuliere consumptie.

In de periode 2024-2027 zouden de regionale economieën daardoor een gematigder groeitempo optekenen. De stijging van het Vlaamse bbp in de periode 2024-2027 (gemiddeld 1,5 procent per jaar) zal naar verwachting hoger uitkomen dan die in Wallonië (1,3 procent) en Brussel (1,1 procent).

Jobs

Ook ziet het Planbureau in de periode 2024-2027 in Vlaanderen een sterke stijging van de netto binnenlandse jobcreatie. Die toename wordt geraamd op jaarlijks gemiddeld 25.900 personen, of 0,9 procent per jaar. In Wallonië gaat het om 0,6 procent per jaar, in Brussel om 0,4 procent. Toch zal het Brusselse gewest (+1,4 procent) naar verwachting een grotere stijging van de werkzame bevolking kennen dan de twee andere gewesten (elk +0,7 procent), onder meer wegens de toename van het pendelverkeer van Brussel naar Vlaanderen.

Tot slot wordt erop gewezen dat ook bij de gemeenschappen en gewesten de overheidsfinanciën onder druk staan. De tekorten blijven hoger dan vóór de coronacrisis, behalve bij de Vlaamse gemeenschap, die op weg is naar een begrotingsevenwicht tegen 2027.

Door de hoge inflatie ziet het Planbureau dit jaar een dalende koopkracht bij de Brusselse (-0,8 procent), Vlaamse (-0,4 procent) en Waalse (-0,2 procent) gezinnen. Maar vanaf volgend jaar wordt in elk gewest opnieuw een stijging van het reëel beschikbaar inkomen per inwoner verwacht. Die toename komt er onder meer doordat de indexeringen van de lonen en van de sociale uitkeringen in 2023 de inflatie zullen overtreffen. Vervolgens zal de reële koopkracht in de periode 2024-2027 opnieuw een toename kennen die vergelijkbaar is met de periode vóór de coronacrisis. In Vlaanderen (+1,1 procent per jaar) zal die stijging nipt lager liggen dan in Wallonië (+1,2 procent) en Brussel (+1,4 procent). In het hoofdstedelijk gewest zullen in de eerste plaats de lonen een grote bijdrage leveren aan de inkomensstijging. In Vlaanderen en Wallonië spelen de pensioenen een relatief grotere rol.Het Planbureau stipt ook aan dat de inflatie dit jaar eveneens een rem zet op het economisch herstel, na de duidelijke groei in 2021. Vanaf volgend jaar moet bovendien ook rekening worden gehouden met een vertraging van de groei van de potentiële internationale uitvoermarkten en met een afgezwakte inhaalbeweging van de particuliere consumptie. In de periode 2024-2027 zouden de regionale economieën daardoor een gematigder groeitempo optekenen. De stijging van het Vlaamse bbp in de periode 2024-2027 (gemiddeld 1,5 procent per jaar) zal naar verwachting hoger uitkomen dan die in Wallonië (1,3 procent) en Brussel (1,1 procent).Ook ziet het Planbureau in de periode 2024-2027 in Vlaanderen een sterke stijging van de netto binnenlandse jobcreatie. Die toename wordt geraamd op jaarlijks gemiddeld 25.900 personen, of 0,9 procent per jaar. In Wallonië gaat het om 0,6 procent per jaar, in Brussel om 0,4 procent. Toch zal het Brusselse gewest (+1,4 procent) naar verwachting een grotere stijging van de werkzame bevolking kennen dan de twee andere gewesten (elk +0,7 procent), onder meer wegens de toename van het pendelverkeer van Brussel naar Vlaanderen. Tot slot wordt erop gewezen dat ook bij de gemeenschappen en gewesten de overheidsfinanciën onder druk staan. De tekorten blijven hoger dan vóór de coronacrisis, behalve bij de Vlaamse gemeenschap, die op weg is naar een begrotingsevenwicht tegen 2027.