De Amerikaanse overheid staat op het punt de netneutraliteit weer af te schaffen. Onder president Barack Obama was het principe ingevoerd dat telecomoperatoren niet zwaar mochten ingrijpen in het internetverkeer dat door hun netwerk loopt.
...

De Amerikaanse overheid staat op het punt de netneutraliteit weer af te schaffen. Onder president Barack Obama was het principe ingevoerd dat telecomoperatoren niet zwaar mochten ingrijpen in het internetverkeer dat door hun netwerk loopt. De afgezwakte regels geven operatoren de vrije hand om bepaalde internettrafiek af te remmen. In de Verenigde Staten hebben de grote telecomoperatoren de markt zo verdeeld dat ze niet met elkaar hoeven te concurreren. Ontevreden klanten hebben er geen alternatief en moeten hun onvermijdelijk hogere telecomfactuur wel slikken.Bovendien zijn er grote gevolgen voor de Amerikaanse techeconomie. Bij netneutraliteit worden ieders data min of meer gelijk behandeld. De telecomwaakhond FCC, die door de Republikeinen van president Donald Trump wordt gedomineerd, wil daar van afstappen. Dat is een slechte zaak. Het afschaffen van netneutraliteit dreigt het gelijke speelveld te verstoren waardoor kleine bedrijven vanuit een garage of een studentenkamer konden uitgroeien tot techgiganten. De Amerikaanse techeconomie is zo succesvol en innovatief omdat geen enkel bedrijf, hoe groot het ook is, er op zijn lauweren kan rusten. De consument, de markt, heeft bedrijven zoals Google, Netflix en Facebook groot gemaakt. De beperking van de vrije keuze maakt dat kapot. Gevestigde spelers met diepe zakken kunnen het met operatoren op een akkoordje gooien, om hun trafiek prioriteit te geven. Voor veel start-ups is dat een te groot obstakel. In het beste geval moeten ze zich veel te vroeg laten inlijven door de grote jongens, in plaats van zelf de nieuwe techkeizer te worden.