Eind vorig jaar raakte bekend dat de werkzaamheidsgraad van de Belgen boven 70 procent was gestegen. In Vlaanderen klom de werkgelegenheidsgraad zelfs naar 75,7 procent. Dat is een gevolg van de sterke banencreatie van de voorbije jaren. Zowat alle leeftijdsgroepen hebben geprofiteerd van de boom op de arbeidsmarkt.
...

Eind vorig jaar raakte bekend dat de werkzaamheidsgraad van de Belgen boven 70 procent was gestegen. In Vlaanderen klom de werkgelegenheidsgraad zelfs naar 75,7 procent. Dat is een gevolg van de sterke banencreatie van de voorbije jaren. Zowat alle leeftijdsgroepen hebben geprofiteerd van de boom op de arbeidsmarkt. Toch is er één categorie waar de toename van de werkzaamheidsgraad sterk opvalt: de 55-plussers. In 2001 had slechts 26 procent van de Belgen in die leeftijdscategorie een baan. Het Vlaamse percentage (25,5%) verschilde amper van de Belgische cijfers. Maar in 2012 was dat percentage al gestegen naar 40,5 procent voor België en 39,5 procent voor Vlaanderen. In 2017 bedroeg de werkzaamheidsgraad zowel in België (48,3%) als in Vlaanderen (49,5%) net geen 50 procent. De Belgen werken almaar langer. Een recente studie van het Vlaamse Steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE) leert dat de reële uittredeleeftijd al jaren versneld toeneemt. In 2001 bedroeg de gemiddelde reële leeftijd waarop men de arbeidsmarkt in België en in Vlaanderen verliet 58,4 jaar. In 2012 was dat respectievelijk 59,5 en 59,4 jaar. In 2016, de recentste cijfers van het onderzoek, bedroeg de gemiddelde effectieve uittredeleeftijd zowel in België als in Vlaanderen 60,3 jaar (zie tabel Gemiddelde uittredeleeftijd blijft stijgen). Die blijft wel laag in vergelijking met onze buurlanden. Nederland en Duitsland scoren met 64 jaar een stuk beter. Frankrijk zit ongeveer op het Belgisch niveau (60,7jaar). Om de evolutie van de uittredeleeftijd in kaart te brengen, bekeken de onderzoekers de evolutie ervan tussen 2001 en 2011 en tussen 2012 en 2016. Die opsplitsing is niet toevallig. Na 2012 voerde zowel de regering-Di Rupo als de regering-Michel I hervormingen door om mensen langer aan de slag te houden. Zo werden de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen strenger. De regering-Di Rupo verhoogde de minimumleeftijd voor vervroegd pensioen van 60 jaar in 2012 naar 60,5 jaar in 2013. De loopbaanvoorwaarde steeg van 35 naar 38 jaar. De regering-Michel I trok de minimumleeftijd verder op met zes maanden per halfjaar. Ook de loonbaanvoorwaarde bleef stijgen. Dit jaar is vervroegd pensioen in principe pas mogelijk vanaf 63 jaar. Enkel na een bijna volledige loopbaan van 44 jaar is een vertrek op 60 jaar nog mogelijk. Tegelijk werden de regels voor het brugpensioen (nu stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag of SWT) aangepast.Ook de Vlaamse regering nam initiatieven. Onder meer de voorwaarden voor de opname van een terbeschikkingstelling voorafgaand aan het pensioen in het onderwijs werd strenger. De Vlaamse regering voerde ook RSZ-kortingen voor 55-plussers in, waardoor het aantrekkelijker werd hen aan te werven en te behouden. De resultaten van dat beleid zijn nu merkbaar, blijkt uit de studie. Tussen 2001 en 2011 steeg de gemiddelde Vlaamse uittredeleeftijd van 58,4 tot 59,5 jaar, een toename met 1,3 maanden per jaar. Sinds 2013 steeg de Vlaamse uittredeleeftijd sneller, met 2,5 maanden per jaar. Ook in Wallonië steeg de reële uittredeleeftijd in die periode sneller dan voordien (2,3 maanden per jaar). Opvallend is dat de uittredeleeftijd voor vrouwen in de periode voor 2012 sneller groeide dan die voor mannen. Dat komt omdat de pensioenleeftijd voor vrouwen tot 2009 geleidelijk werd opgetrokken tot op het niveau van die voor mannen (65 jaar). "Het effect van de geleidelijke verhoging is nadien uitgewerkt, wat zich in de tweede periode (2012-2016) uit in een minder sterke groeivoet in vergelijking met mannen." Vrouwen blijven nog onder de grens van 60 jaar, maar Bart Scholliers en Sarah Vansteenkiste, de auteurs van het onderzoek, voorspellen dat "ook zij gauw die grens zullen overschrijden". Het WSE-onderzoek ging ook na hoe de uittredeleeftijd in het Vlaams Gewest verschilt tussen sectoren. De gezondheidszorg is met 60,7 jaar de koploper. Financiële diensten en klassieke dienstverleningsbedrijven zoals consultancy klokken af op 60,5 jaar. Dan volgen informatica, telecom en media (60,3 jaar). In de media valt op dat de gemiddelde uittredeleeftijd tussen 2012 en 2015 sterk is gestegen: met 6,4 maanden per jaar, ruim het dubbele van het algemene groeicijfer. Een aantal sectoren maakt nog een inhaalbeweging. In de metaalsector, de bouw, de machinebouw, de grafische industrie en de horeca is de uittredeleeftijd de voorbije jaren bovengemiddeld (meer dan 2,5 maanden per jaar) gestegen, maar de effectieve uittredeleeftijd varieert er tussen 59 en 59,5 jaar en blijft dus laag. De lage effectieve pensioenleeftijd in de textielsector valt op: 58,3 jaar. En dan is er nog de autosector, waar de gemiddelde uittredeleeftijd slechts 56,8 jaar bedraagt. Daar was er zelfs een daling. Dat is wellicht het effect van de sluiting van Ford Genk in 2012, toen brugpensioen nog mogelijk was vanaf 52 jaar. "De uittrede in de industriële sectoren gebeurt in vergelijking met de andere sectoren vaker via het SWT-stelsel", stelt het onderzoek. "Die vervroegde uittredemogelijkheid versterkt de relatief vroege uittrede uit die sectoren. De voorwaarden voor SWT zijn wel geleidelijk strikter gemaakt en worden nog strenger, zodat te verwachten valt dat de scores in de industriële sectoren richting het algemene gemiddelde zullen gaan." In het onderwijs en de openbare besturen schommelt de uittredeleeftijd rond 60 jaar. De perceptie dat mensen daar zeer snel met vervroegd pensioen gaan, klopt niet meer. De effectieve pensioenleeftijd mag de voorbije jaren dan wel sterk gestegen zijn, met 60,3 jaar ligt die nog een heel stuk verwijderd van de officiële pensioenleeftijd van 65 jaar. Scholliers en Vansteenkiste wijzen erop dat we pas over een kwarteeuw in de buurt van 65 jaar komen, als het groeitempo van twee jaar extra per decennium aanhoudt. "Maar de behoefte aan langere loopbanen en een latere uittrede is urgenter", stellen ze. "De vraag rijst of de strengere voorwaarden voor vervroegd pensioen en SWT zullen volstaan voor de noodzakelijke groeiversnelling van de uittredeleeftijd de komende jaren." Toch is er geen reden voor doemdenken. Het aantal hooggekwalificeerde banen in Vlaanderen neemt toe en het opleidingsniveau van de bevolking stijgt. In zo'n functie blijven mensen langer aan de slag: "De gezondheid van hoger opgeleiden is gemiddeld gesproken beter dan van lager opgeleiden." De auteurs geven nog een waarschuwing mee: "Er kunnen ook nevenwerkingen zijn van het gewijzigde beleid, zoals een hogere uitstroom richting arbeidsongeschiktheid en invaliditeit. De werkbaarheid van een baan blijft belangrijk."