De Amerikaanse president Joe Biden is op oorlogspad. Midden maart noemde hij Vladimir Poetin een oorlogsmisdadiger. En bij zijn bezoek aan Warschau bestempelde Biden de Russische president als een slachter die "niet aan de macht kan blijven". De Franse president Emmanuel Macron, Europa's nieuwe sterkmaker, was er als de kippen bij om zich te distantiëren van Bidens oorlogstaal. Biden werd ook teruggefloten door de stafdiensten van het Witte Huis. Hij zondigde tegen de basisprincipes van de gunboat diplomacy, de strategie om met groot militair machtsvertoon een ander land tot toegevingen of capitulatie aan te zetten, en zo een oorlog te winnen zonder een schot te lossen.

Het concept werd geïntroduceerd door commandant Matthew Perry, die in 1853 een klein eskader Amerikaanse oorlogsschepen de Baai van Tokio instuurde, om een handelsverdrag met Japan af te dwingen. Wat ook gebeurde. Het legde de basis voor de uitbouw van het schrikwekkende Amerikaanse oorlogsapparaat. Vandaag geeft Amerika 800 miljard dollar uit aan 'defensie'. Per jaar. Dat zou, samen met de verregaande economische, monetaire en culturele sancties moeten volstaan op het gebied van machtsvertoon. Bij gunboat diplomacy blijven de communicatielijnen met de tegenstander open. Verneder nooit een gesprekspartner. Wie vernederd is, zal zelfs een uitkomst in zijn eigen nadeel aanvaarden, zolang de tegenpartij er maar onder lijdt. Iedereen verliest. En een beer in een hoek maakt rare sprongen.

Verneder nooit een gesprekspartner.

Kwatongen beweren dat Bidens drieste uitspraken opportunistisch zijn. Hij zou er zijn tanende populariteit in de Verenigde Staten mee willen opkrikken. Een cynisch cliché, keynesiaans militarisme genoemd, stelt dat oorlog goed is voor de economie. Amerika heeft de Eerste en de Tweede Wereldoorlog niet gewild, maar dankt er wel in belangrijke mate zijn economische en monetaire dominantie aan. De Verenigde Staten mengden zich pas in 1917 in de Eerste Wereldoorlog, toen die bijna voorbij was en droegen zo maar een bescheiden deel van de oorlogskosten. Zijn industriële apparaat kwam ongeschonden uit de oorlog en kon rekenen op een sterke buitenlandse vraag naar Amerikaanse goederen. De Tweede Wereldoorlog was een versterkte echo van de Eerste Wereldoorlog. De oorlog, en niet de New Deal van president Roosevelt, maakte een einde aan de Grote Depressie van de jaren dertig. Aan de vooravond van de oorlog bedroeg de Amerikaanse werkloosheid nog 14 procent. Na de oorlog was ze teruggevallen tot 1,2 procent. Dankzij de economische stimulans van de oorlog verdubbelde de Amerikaanse economie bijna in omvang. 40 procent van de groei viel toe te schrijven aan de oorlog. Zo kon Amerika bij de Bretton Woods-conferentie de wereld een nieuwe monetaire wereldorde opleggen: die van de dollar.

Maar het cliché dat oorlog goed is voor de economie, verdient op zijn minst drie belangrijke nuances. Een eerste is dat een buitenlandse oorlog geen economisch voordeel levert aan landen die zelf de kosten ervan moeten dragen. De invasie in Irak heeft Amerika 2 biljoen dollar gekost, heeft economisch niets opgebracht en trakteerde de wereld op structureel hogere olieprijzen en de opkomst van IS. De invasie in Vietnam was mee verantwoordelijk voor de hyperinflatie van de jaren zeventig. Een tweede nuance is dat economische groei in oorlogstijd vooral wordt geschraagd door exorbitante overheidsuitgaven. Een derde is dat oorlog enkel potentiële economische winsten levert aan landen die buiten het slagveld liggen. De economie van de landen op het slagveld wordt in puin geschoten.

Europa, en Vlaanderen in het bijzonder, was eeuwenlang één groot slagveld. Niets dan armoe en ellende. Het adagium van gunboat diplomacy, speak softly and carry a big stick, zet Europa aan tot een versterking van zijn militaire apparaat. In de hoop het nooit te moeten gebruiken.

De Amerikaanse president Joe Biden is op oorlogspad. Midden maart noemde hij Vladimir Poetin een oorlogsmisdadiger. En bij zijn bezoek aan Warschau bestempelde Biden de Russische president als een slachter die "niet aan de macht kan blijven". De Franse president Emmanuel Macron, Europa's nieuwe sterkmaker, was er als de kippen bij om zich te distantiëren van Bidens oorlogstaal. Biden werd ook teruggefloten door de stafdiensten van het Witte Huis. Hij zondigde tegen de basisprincipes van de gunboat diplomacy, de strategie om met groot militair machtsvertoon een ander land tot toegevingen of capitulatie aan te zetten, en zo een oorlog te winnen zonder een schot te lossen. Het concept werd geïntroduceerd door commandant Matthew Perry, die in 1853 een klein eskader Amerikaanse oorlogsschepen de Baai van Tokio instuurde, om een handelsverdrag met Japan af te dwingen. Wat ook gebeurde. Het legde de basis voor de uitbouw van het schrikwekkende Amerikaanse oorlogsapparaat. Vandaag geeft Amerika 800 miljard dollar uit aan 'defensie'. Per jaar. Dat zou, samen met de verregaande economische, monetaire en culturele sancties moeten volstaan op het gebied van machtsvertoon. Bij gunboat diplomacy blijven de communicatielijnen met de tegenstander open. Verneder nooit een gesprekspartner. Wie vernederd is, zal zelfs een uitkomst in zijn eigen nadeel aanvaarden, zolang de tegenpartij er maar onder lijdt. Iedereen verliest. En een beer in een hoek maakt rare sprongen. Kwatongen beweren dat Bidens drieste uitspraken opportunistisch zijn. Hij zou er zijn tanende populariteit in de Verenigde Staten mee willen opkrikken. Een cynisch cliché, keynesiaans militarisme genoemd, stelt dat oorlog goed is voor de economie. Amerika heeft de Eerste en de Tweede Wereldoorlog niet gewild, maar dankt er wel in belangrijke mate zijn economische en monetaire dominantie aan. De Verenigde Staten mengden zich pas in 1917 in de Eerste Wereldoorlog, toen die bijna voorbij was en droegen zo maar een bescheiden deel van de oorlogskosten. Zijn industriële apparaat kwam ongeschonden uit de oorlog en kon rekenen op een sterke buitenlandse vraag naar Amerikaanse goederen. De Tweede Wereldoorlog was een versterkte echo van de Eerste Wereldoorlog. De oorlog, en niet de New Deal van president Roosevelt, maakte een einde aan de Grote Depressie van de jaren dertig. Aan de vooravond van de oorlog bedroeg de Amerikaanse werkloosheid nog 14 procent. Na de oorlog was ze teruggevallen tot 1,2 procent. Dankzij de economische stimulans van de oorlog verdubbelde de Amerikaanse economie bijna in omvang. 40 procent van de groei viel toe te schrijven aan de oorlog. Zo kon Amerika bij de Bretton Woods-conferentie de wereld een nieuwe monetaire wereldorde opleggen: die van de dollar. Maar het cliché dat oorlog goed is voor de economie, verdient op zijn minst drie belangrijke nuances. Een eerste is dat een buitenlandse oorlog geen economisch voordeel levert aan landen die zelf de kosten ervan moeten dragen. De invasie in Irak heeft Amerika 2 biljoen dollar gekost, heeft economisch niets opgebracht en trakteerde de wereld op structureel hogere olieprijzen en de opkomst van IS. De invasie in Vietnam was mee verantwoordelijk voor de hyperinflatie van de jaren zeventig. Een tweede nuance is dat economische groei in oorlogstijd vooral wordt geschraagd door exorbitante overheidsuitgaven. Een derde is dat oorlog enkel potentiële economische winsten levert aan landen die buiten het slagveld liggen. De economie van de landen op het slagveld wordt in puin geschoten. Europa, en Vlaanderen in het bijzonder, was eeuwenlang één groot slagveld. Niets dan armoe en ellende. Het adagium van gunboat diplomacy, speak softly and carry a big stick, zet Europa aan tot een versterking van zijn militaire apparaat. In de hoop het nooit te moeten gebruiken.