'Ik ben ervan overtuigd dat 1 januari 2002 de geschiedenisboeken zal ingaan als het begin van een nieuw tijdperk in Europa', zei de toenmalige voorzitter van de Europese Centrale Bank, Wim Duisenberg. Hij was tussen 1998 en 2003 de eerste voorzitter van de ECB, en wordt de 'vader van de euro' genoemd.

Verdrag van Rome

Maar de geschiedenis van de Europese eenheidsmunt gaat veel verder terug dan 2002. In 1957 werd het Verdrag van Rome ondertekend, waarin de ondertekenaars zich verbinden tot een 'gemeenschappelijke markt', met als doel 'de economische welvaart te verhogen en bij te dragen tot een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren', herinnert de Nationale Bank.

Pas eind 1970, in het Verslag-Werner, stelde de Europese Gemeenschap de invoering van een monetaire unie in het vooruitzicht. Uiteindelijk werd in 1985 het plan gelanceerd voor een Europese eenheidsmarkt, die aangevuld moest worden door een eenheidsmunt. In 1992 werd de Europese Gemeenschap door het Verdrag van Maastricht omgezet in een volledige monetaire en economische unie (EMU). Die overschakeling volgde op het Verslag-Delors uit 1989, dat een plan in drie fasen bevatte over de creatie van een eenheidsmunt en een Europese Centrale Bank.

Stabiliteits- en Groeipact

In 1995 engageerden de 15 lidstaten zich formeel voor een eenheidsmunt en stelden ze een kalender op voor de invoering ervan. In 1997 keuren ze het Stabiliteits- en Groeipact goed. Dat pact legde landen die wilden deelnemen aan de euro bepaalde gemeenschappelijke voorwaarden op inzake overheidsfinanciën. Een van de belangrijkste beperkingen was het begrotingstekort tot 3 procent. Er werd ook voorzien in financiële sancties.

De Europese eenheidsmunt behoort sinds 1999 tot het financiële landschap. De wisselkoersen van de deelnemende valuta's werden toen onherroepelijk vastgelegd en de landen van het eurogebied voerden een gemeenschappelijk monetair beleid. De euro werd vastgelegd als wettig betaalmiddel, maar bestond tot in 2001 enkel in girale vorm (cheques, overschrijvingen en bankkaarten). Betalingen aan fiscale en sociale overheidsdiensten konden zowel in euro als in lokale munt worden uitgevoerd. Griekenland stapte in 2001 al over naar de euro, maar de Grieken konden pas in 2002 samen met de inwoners van elf andere landen de eurobiljetten en -munten gebruiken voor betalingen. In België gold nog een overgangperiode van twee maanden, tot eind februari, waarin nog zowel met de euro als met de Belgische frank kon worden betaald. Sinds 2015 wordt de euro in 19 landen gebruikt. Kroatië en Bulgarije zullen in principe als volgende aansluiten.

Eurocrisis

Het twintigjarige bestaan van de euro ging evenwel niet over rozen. Zo brak eind 2009, te midden van de wereldwijde kredietcrisis, de eurocrisis uit, toen gevreesd werd dat Griekenland zijn schulden niet kon terugbetalen. Door de Griekse problemen daalde ook het vertrouwen van de beleggers in de andere eurolanden. Velen hadden immers hun banken moeten redden, waardoor het begrotingstekort en de staatsschuld nog stegen en de voorwaarden van het Groei- en Stabiliteitspact niet werden gerespecteerd. Dat stelde de stabiliteit van de euro in vraag.

Ook Ierland, Spanje, Portugal en Italië kwamen in de problemen, dus er werd ook voor die landen gekeken naar de reactie van de eurogroep. Bovendien bezaten veel Europese banken Grieks staatspapier, waardoor ook zij getroffen zouden worden door een Grieks faillissement. De eurozone, met Duitsland op kop, legde Griekenland dan ook strenge besparingen op in ruil voor financiële steun, wat tot hevige protesten leidde.

Mario Draghi zei in juli 2012 als voorzitter van de Europese Centrale Bank 'dat de ECB er alles aan zou doen om de euro veilig te stellen'. Hij slaagde er met die verklaring in het vertrouwen in de eenheidsmunt te herstellen.

'Ik ben ervan overtuigd dat 1 januari 2002 de geschiedenisboeken zal ingaan als het begin van een nieuw tijdperk in Europa', zei de toenmalige voorzitter van de Europese Centrale Bank, Wim Duisenberg. Hij was tussen 1998 en 2003 de eerste voorzitter van de ECB, en wordt de 'vader van de euro' genoemd.Maar de geschiedenis van de Europese eenheidsmunt gaat veel verder terug dan 2002. In 1957 werd het Verdrag van Rome ondertekend, waarin de ondertekenaars zich verbinden tot een 'gemeenschappelijke markt', met als doel 'de economische welvaart te verhogen en bij te dragen tot een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren', herinnert de Nationale Bank.Pas eind 1970, in het Verslag-Werner, stelde de Europese Gemeenschap de invoering van een monetaire unie in het vooruitzicht. Uiteindelijk werd in 1985 het plan gelanceerd voor een Europese eenheidsmarkt, die aangevuld moest worden door een eenheidsmunt. In 1992 werd de Europese Gemeenschap door het Verdrag van Maastricht omgezet in een volledige monetaire en economische unie (EMU). Die overschakeling volgde op het Verslag-Delors uit 1989, dat een plan in drie fasen bevatte over de creatie van een eenheidsmunt en een Europese Centrale Bank.In 1995 engageerden de 15 lidstaten zich formeel voor een eenheidsmunt en stelden ze een kalender op voor de invoering ervan. In 1997 keuren ze het Stabiliteits- en Groeipact goed. Dat pact legde landen die wilden deelnemen aan de euro bepaalde gemeenschappelijke voorwaarden op inzake overheidsfinanciën. Een van de belangrijkste beperkingen was het begrotingstekort tot 3 procent. Er werd ook voorzien in financiële sancties.De Europese eenheidsmunt behoort sinds 1999 tot het financiële landschap. De wisselkoersen van de deelnemende valuta's werden toen onherroepelijk vastgelegd en de landen van het eurogebied voerden een gemeenschappelijk monetair beleid. De euro werd vastgelegd als wettig betaalmiddel, maar bestond tot in 2001 enkel in girale vorm (cheques, overschrijvingen en bankkaarten). Betalingen aan fiscale en sociale overheidsdiensten konden zowel in euro als in lokale munt worden uitgevoerd. Griekenland stapte in 2001 al over naar de euro, maar de Grieken konden pas in 2002 samen met de inwoners van elf andere landen de eurobiljetten en -munten gebruiken voor betalingen. In België gold nog een overgangperiode van twee maanden, tot eind februari, waarin nog zowel met de euro als met de Belgische frank kon worden betaald. Sinds 2015 wordt de euro in 19 landen gebruikt. Kroatië en Bulgarije zullen in principe als volgende aansluiten.Het twintigjarige bestaan van de euro ging evenwel niet over rozen. Zo brak eind 2009, te midden van de wereldwijde kredietcrisis, de eurocrisis uit, toen gevreesd werd dat Griekenland zijn schulden niet kon terugbetalen. Door de Griekse problemen daalde ook het vertrouwen van de beleggers in de andere eurolanden. Velen hadden immers hun banken moeten redden, waardoor het begrotingstekort en de staatsschuld nog stegen en de voorwaarden van het Groei- en Stabiliteitspact niet werden gerespecteerd. Dat stelde de stabiliteit van de euro in vraag.Ook Ierland, Spanje, Portugal en Italië kwamen in de problemen, dus er werd ook voor die landen gekeken naar de reactie van de eurogroep. Bovendien bezaten veel Europese banken Grieks staatspapier, waardoor ook zij getroffen zouden worden door een Grieks faillissement. De eurozone, met Duitsland op kop, legde Griekenland dan ook strenge besparingen op in ruil voor financiële steun, wat tot hevige protesten leidde.Mario Draghi zei in juli 2012 als voorzitter van de Europese Centrale Bank 'dat de ECB er alles aan zou doen om de euro veilig te stellen'. Hij slaagde er met die verklaring in het vertrouwen in de eenheidsmunt te herstellen.