38.182 euro. Dat is volgens Statistiek Vlaanderen in 2021 de economische activiteit per capita in Vlaanderen. Dat is 40 procent meer dan in Wallonië met 27.246 euro, maar minder dan in Brussel met 64.204 euro economische activiteit per hoofd. Dat beeld is vertekend door de pendelaars in het hoofdstedelijk gewest. Met een correctie van de pendelstroom zou de economische activiteit er terugvallen tot 38.555 euro per persoon. Vlaanderen en Wallonië klokken dan af op respectievelijk 40.821 en 30.928 euro. In elk scenario blijft de welvaartskloof tussen Vlaanderen en Wallonië groot. De oorzaken zijn bekend. De lagere Waalse werkzaamheidsgraad (64,4%) houdt het verschil met Vlaanderen (74,7%) in stand. Wallonië draagt ondanks Europese steunmaatregelen en marshallplannen nog altijd de erfenis van de weggekwijnde zware industrie sinds de jaren zestig mee. Vlaanderen kon de voorbije decennia als open economie met belangrijke havens meesurfen op de golven van de mondialisering.
...

38.182 euro. Dat is volgens Statistiek Vlaanderen in 2021 de economische activiteit per capita in Vlaanderen. Dat is 40 procent meer dan in Wallonië met 27.246 euro, maar minder dan in Brussel met 64.204 euro economische activiteit per hoofd. Dat beeld is vertekend door de pendelaars in het hoofdstedelijk gewest. Met een correctie van de pendelstroom zou de economische activiteit er terugvallen tot 38.555 euro per persoon. Vlaanderen en Wallonië klokken dan af op respectievelijk 40.821 en 30.928 euro. In elk scenario blijft de welvaartskloof tussen Vlaanderen en Wallonië groot. De oorzaken zijn bekend. De lagere Waalse werkzaamheidsgraad (64,4%) houdt het verschil met Vlaanderen (74,7%) in stand. Wallonië draagt ondanks Europese steunmaatregelen en marshallplannen nog altijd de erfenis van de weggekwijnde zware industrie sinds de jaren zestig mee. Vlaanderen kon de voorbije decennia als open economie met belangrijke havens meesurfen op de golven van de mondialisering. Tussen 1955 en 2019 groeide de Vlaamse economie gemiddeld met 2,9 procent per jaar, de Waalse met 2 procent en de Brusselse met 1,9 procent. Het zou verkeerd zijn enkel te focussen op de tewerkstelling als oorzaak voor de welvaartskloof. In een nieuwe studie wijst Voka-hoofdeconoom Bart Van Craeynest op andere economische verschillen tussen de drie gewesten en tussen Vlaanderen en Wallonië in het bijzonder. De overheidssector in Vlaanderen is goed voor 18,1 procent van de toegevoegde waarde van de regionale economie. In Wallonië is dat 27,4 procent. "Daarmee zit Vlaanderen in de buurt van het Europese gemiddelde, terwijl Wallonië bij de regio's met het zwaarste gewicht van de publieke sector hoort", zegt Van Craeynest. "Dat impliceert ook een onderontwikkelde private sector." Dat weegt op de groei en de welvaart. Het aantal starters ligt lager in Wallonië dan in Vlaanderen: 11 versus 15 per 1.000 inwoners op actieve leeftijd. Vlaanderen kijkt al enige tijd bezorgd naar de steeds slechtere PISA-scores over de kwaliteit van het onderwijs. Terecht, maar dat doet vergeten dat de situatie onder de taalgrens dramatisch is. De gemiddelde Waalse PISA-scores voor wiskunde, wetenschappen en lezen schommelen al jaren rond 490 punten. Vlaanderen zit aan 510 punten, al wordt de kloof kleiner, want in 2003 piekte het noorden van België op 540. In Wallonië heeft bijna 20 procent van de 20- tot 24-jarigen geen diploma hoger secundair onderwijs. Dat heeft gevolgen voor de arbeidsmarkt met een vrij groot aandeel jongeren dat niet werkt en geen opleiding volgt. In Wallonië gaat het om 15 procent van de 18- tot 24-jarigen, "een groep die permanent verloren dreigt te gaan voor de arbeidsmarkt", aldus Van Craeynest. "Dat de mismatch op de Waalse arbeidsmarkt tot een krapte leidt, terwijl 35 procent van de Waalse 20- tot 64-jarigen niet aan het werk is, wijst op een onwaarschijnlijk falen van het beleid." Eind de jaren negentig lag het verschil in de werkzaamheidsgraad van Vlaanderen en Wallonië net boven 7 procent. Vandaag is dat opgelopen tot 10 procent. In 2020 bedroeg de werkloosheidsgraad in Vlaanderen 3,3 procent. In de Europese topregio's was dat 2,5 tot 3 procent, het Europese gemiddelde was 6,9 procent. Wallonië heeft met een werkloosheidsgraad van 7,2 procent een probleem. Slechts een kwart van de Vlaamse werkzoekenden is langer dan twaalf maanden werkloos. In Wallonië zit meer dan helft van de werkzoekenden al langer dan een jaar in die situatie, wat wijst op een belangrijk structureel probleem (zie grafiek Vergeten Vlaams-Waalse verschillen). Eén op de vijf Belgen loopt het risico op armoede of sociale uitsluiting. Dat risico wordt bepaald door variabelen als een inkomen dat lager is dan 60 procent van het mediane inkomen, uitgaven zoals huur, verwarming of onverwachtse kosten niet kunnen betalen en huishoudens waar weinig wordt gewerkt. Het nationale cijfer maskeert grote regionale verschillen. Het risico op armoede en sociale uitsluiting bedraagt in Wallonië 24,6 procent en in Brussel 37,8 procent. In Vlaanderen is dat 13,2 procent. Volgens Bart Van Craeynest gaart armoede vaak samen met niet werken. "Het fenomeen van de working poor komt hier minder voor dan in andere landen. Vooral de niet-werkenden lopen hogere risico's om in armoede terecht te komen. In die zin zijn de hoge armoedecijfers in Wallonië en Brussel onlosmakelijk verbonden met de moeilijke arbeidssituatie in beide gewesten. Dat wordt ook geïllustreerd door het aantal mensen dat leeft in huishoudens met een erg lage werkintensiteit. In Wallonië gaat dat om 17 procent van de mensen, in Brussel om 24 procent. In Vlaanderen blijft hun aandeel beperkt tot 7,4 procent." De economische kloof is niet zonder gevaar, schrijft Van Craeynest. Ze heeft implicaties voor de economische en politieke samenhang van het land. "Een natuurlijke dynamiek van convergentie blijft uit, en ook het beleid slaagt er niet in voor de kentering te zorgen." De Voka-econoom komt met voorstellen die op het eerste gezicht niet zo nieuw zijn. Hij pleit voor meer beleidsflexibiliteit op regionaal niveau, zeker in het arbeidsmarktbeleid. Van Craeynest doet ook voorstellen die nog taboe zijn: de regio's zouden moeten beslissen over de toegang en de modaliteiten van de uitkeringen en er moet meer regionaal bepaalde loonvorming komen. Ondanks de belangrijke verschillen in werkzaamheidsgraad en productiviteit loopt de loongroei in de verschillende gewesten gelijk, argumenteert hij. Tussen 1995 en 2019 zat er op de gemiddelde jaargroei van de beloning per werknemer amper 0,05 procentpunt verschil. In Vlaanderen lag die op 2,29 procent per jaar, in Wallonië op 2,24 procent en in Brussel op 2,25 procent. Dat is een gevolg van ons gecentraliseerde systeem van loonvorming met de automatische indexering. "Zowel de loonnorm als de indexering wordt op nationaal niveau bepaald, waardoor er te weinig ruimte is om de loondynamiek af te stemmen op de arbeidsmarktsituatie in elk gewest. Op die manier worden de economisch zwakkere regio's opgezadeld met een te sterke loondynamiek", aldus Van Craeynest. "Zo liggen de loonkosten per eenheid product in Wallonië zo'n 6 procent hoger dan in Vlaanderen, wat voor Wallonië een loonkostenhandicap impliceert. De loonvorming op nationaal niveau verhindert dat de economisch zwakkere regio's een concurrentieel voordeel kunnen opbouwen via relatief lagere lonen."