De sociale partners halen te snel de druk van de ketel. De voorbije jaren hebben ze hun best gedaan om de concurrentiekracht van de ondernemingen te verbeteren, maar met het pas gesloten loonakkoord missen ze een unieke kans om de jobmotor nog een versnelling hoger te schakelen en de inspanningen te consolideren.
...

De sociale partners halen te snel de druk van de ketel. De voorbije jaren hebben ze hun best gedaan om de concurrentiekracht van de ondernemingen te verbeteren, maar met het pas gesloten loonakkoord missen ze een unieke kans om de jobmotor nog een versnelling hoger te schakelen en de inspanningen te consolideren. Dat is nochtans geen overbodige luxe. Onze ondernemingen kampen nog altijd met een historische loonhandicap van ongeveer 10 procent, en de werkgelegenheidsgraad is nog altijd veel te laag. Dit land heeft 1 miljoen extra banen nodig om de vergrijzing betaalbaar te houden en de overheidsfinanciën te saneren. Lukt dat niet, dan is het op termijn onbegonnen werk om de loonkosten onder controle te houden. Dit is daarom een akkoord met een beperkte ambitie, met een beperkte horizon en met een beperkte houdbaarheidsdatum. De sociale partners vergeten de wedstrijd nu te winnen en riskeren eind 2018 zichzelf tegen te komen. Maar goed, misschien gaat het nu te goed om spijkers met koppen te slaan. De goede conjunctuur, de loonstijgingen in Duitsland en de verdere lastenverlaging dankzij de uitrol van de taxshift maakten ruimte om tot een akkoord te komen, het eerste sinds 2009. In deze omstandigheden de discipline behouden in een land als België? Dat is al 100 jaar te veel gevraagd. Er is voor elk wat wils in dit mooi-weer-akkoord. De werkgevers zien de concurrentiepositie verbeteren en kopen tegen een beperkte prijs de sociale vrede, wat ook zijn waarde heeft, zeker voor de grotere industriële bedrijven, voor wie het kostenplaatje bij stakingen snel oploopt. De winstmarges van de ondernemingen zijn op peil en de zaken gaan goed. Op de nieuwjaarsrecepties klinken ondernemers op een stijging van de omzet en de winst met minstens 10 procent. Zelfs in West-Vlaanderen durven ze toe te geven dat het niet slecht gaat. De vakbonden kunnen hun leden een stijging van de koopkracht met 1,1 procent aanbieden, uiteraard boven op de index. Dat in deze omstandigheden ook de werknemers hun graantje meepikken, is logisch en fair. De voorbije jaren hebben ook zij een grote inspanning geleverd. Daarnaast trakteren beide kampen zich traditiegetrouw op nog wat extra lekkers, waarvan de factuur wordt doorgeschoven naar de belastingbetaler. Denk aan het welvaartsebudget voor de uitkeringen dat op kruissnelheid 500 miljoen euro bedraagt en, ook op verzoek van de vakbonden, een vertraagde uitbouw van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen). Een consequente regering zou strenger moeten zijn als de sociale partners op die manier in de koekjestrommel zitten.Dit akkoord blijft dus niet zonder budgettaire weerhaken voor de regering en de belastingbetaler, maar ook de regering-Michel zal weinig kabaal maken. De sociale rust is welgekomen en het mantra van 'jobs, jobs, jobs' komt niet in gevaar. Michel & co kunnen zich bezighouden met het ontwarren van de gordiaanse knoop van een noodzakelijke hervorming van de vennootschapsbelasting en de weinig wenselijke meerwaardebelasting. Dat doen ze het liefst buiten het keurslijf van het begrotingsoverleg, anders riskeren nacht en ontij opnieuw een gedrocht van een compromis te baren. Met dit loonakkoord hopen de werkgevers met een versterkte onderhandelingspositie naar de regering te trekken.Toch lopen de werkgevers het risico dat ze te veel betaald hebben voor de sociale vrede. De werkgeversorganisatie Fedustria merkt fijntjes op dat de loonkosten in de periode 2016-2018 met 7 procent stijgen. De optelsom van de loonindexering van 2016 en van de 4 procent loonstijging van het nieuwe akkoord is voor heel wat bedrijven een pittige factuur. Toch belooft het loonakkoord een verdere afbouw van de loonkostenhandicap met 1 procent, op voorwaarde dat de Belgische inflatie geen roet in het eten gooit. Onze inflatie, ook als geen rekening gehouden wordt met de energieprijzen, heeft de neiging sneller en hoger op te lopen dan in de buurlanden. Daarnaast rekenen de sociale partners in de buurlanden op stevige loonstijgingen en schrappen ze nieuwe initiatieven uit hun scenario's. Als Frankrijk bijvoorbeeld na de presidentsverkiezingen later dit jaar orde op zaken stelt, zou dat meteen gevolgen hebben voor onze concurrentiepositie. Daar staat tegenover dat een sterke economie en een krappe arbeidsmarkt in Duitsland garant staan voor een aanhoudende stijging van de lonen. Ook de Duitsers zijn de loonmatiging beu als koude pap. De nieuwe wet op het concurrentievermogen, waarover nog gestemd moet worden, moet in principe een nieuwe ontsporing van de loonhandicap in de kiem smoren, maar dat zal in praktijk moeilijker zijn dan in theorie. Stel dat de lonen op een gegeven moment minder snel mogen stijgen dan de index, zullen de vakbonden dan braaf de duim omhoog steken? Wellicht niet. Wetten op het concurrentievermogen kunnen in dit land niet op tegen de automatische loonindexering. Vroeger niet, nu niet en morgen niet.