Om aan te tonen dat de federale regering wel degelijk werkt, kondigde premier Charles Michel (MR) superministerraden aan. De eerste, over veiligheid, heeft al in mei plaatsgevonden. Op de twee sociaaleconomische superministerraden blijft het wachten. Een eerste was gepland voor 10 juni, maar werd voor onbepaalde tijd uitgesteld. Wellicht balt de regering alles samen in één superministerraad eind juli, net voor het zomerreces. Minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR) heeft een officieel bezoek aan China in die periode uitgesteld.
...

Om aan te tonen dat de federale regering wel degelijk werkt, kondigde premier Charles Michel (MR) superministerraden aan. De eerste, over veiligheid, heeft al in mei plaatsgevonden. Op de twee sociaaleconomische superministerraden blijft het wachten. Een eerste was gepland voor 10 juni, maar werd voor onbepaalde tijd uitgesteld. Wellicht balt de regering alles samen in één superministerraad eind juli, net voor het zomerreces. Minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR) heeft een officieel bezoek aan China in die periode uitgesteld. De uitdagingen die de regering nog op haar bord heeft liggen zijn niet minnetjes. Een overzicht. De federale regering heeft het doel van een begrotingsevenwicht in 2018 en 2019 al een tijd laten vallen. Dit jaar verwacht ze een tekort van 1,6 procent van het bbp. Volgend jaar zou dat tekort dalen tot 0,7 procent, en in 2019 nog 0,2 procent van het bbp. Veel te optimistisch, zegt de Nationale Bank van België in haar zomervooruitzichten. Zij ziet het begrotingstekort tot in 2019 rond 2 procent van het bbp schommelen. Het betekent dat de regering op zoek moet naar 8 miljard euro om tegen 2019 een sluitende begroting te presenteren. Het monitoringcomité, de groep topambtenaren die de begroting opvolgt, voorspelt voor 2018 een begrotingstekort van 4,5 miljard euro en voor 2019 van 8 miljard euro. Maar het structurele tekort (gecorrigeerd voor eenmalige inkomsten en conjunctuurschokken) zou ongeveer 1 procent van het bbp bedragen (4 miljard euro). Een hogere economische groei en een aantrekkende arbeidsmarkt zorgen voor die meevaller. In 2016 kwamen er netto 59.000 banen bij. Voor 2017 en 2018 worden er volgens de jongste voorspellingen van de Nationale Bank van België (NBB) en het Federaal Planbureau tussen 82.000 en 105.000 verwacht. Meer banen betekenen meer belastinginkomsten en minder uitkeringen. De Europese Commissie heeft vooral aandacht voor het afbouwen van het structurele tekort. Zij vraagt dat de regering jaarlijks 0,6 procent van het bbp of 3 miljard euro bespaart tot een structureel evenwicht is bereikt. Indien de cijfers van het monitoringcomité kloppen, dan is zo'n sanering in 2018 en een kleine inspanning in 2019 voldoende om aan het einde van de legislatuur een structureel begrotingsevenwicht te kunnen voorleggen. De vraag is hoe de hervorming van de vennootschapsbelasting in dat plaatje past. Een verlaging van het nominale tarief van 33,99 naar 24 procent zou al snel 2 tot 3 miljard euro kosten. Een meerwaardebelasting als compensatie voor de lagere vennootschapsbelasting is van de onderhandelingstafel verdwenen. Premier Michel wil deze maand eindelijk werk maken van die hervorming, omdat het buitenland ook niet stilzit. Mochten de tarieven van de vennootschapsbelasting in Frankrijk en de Verenigde Staten omlaag gaan, zoals de respectieve presidenten Emmanuel Macron en Donald Trump hebben beloofd, dan blijft België achter met het hoogste nominale tarief van alle industrielanden. Daar komt nog bij dat het gemiddelde reële tarief in België (na kortingen allerhande) opnieuw boven 30 procent uitkomt, omdat onder andere de notionele-intrestaftrek fiscaal minder aantrekkelijk is geworden. Een paar weken geleden deed het verhaal de ronde dat de regering de vennootschapsbelasting lichtjes zou hervormen door enkel het tarief voor de kmo's te verlagen. Dat idee ligt in de Wetstraat nog altijd op tafel. Een aantal grote sectorfederaties, waaronder de technologiefederatie Agoria, trok aan de alarmbel: een discriminatie tussen grote en kleine bedrijven is onaanvaardbaar en te grote verschillen in tarieven zouden kmo's beletten van door te groeien. De werkgeversorganisaties zijn meer gewonnen voor een gefaseerde verlaging van de vennootschapsbelasting, maar dan voor alle bedrijven. Ook voor de regering is dat een aantrekkelijk idee, want het brengt de begroting niet te veel in problemen. De regering kan bijvoorbeeld het nominale tarief in 2018 onder 30 procent duwen, de notionele-intrestaftrek behouden en de fiscale consolidatie (moeder- en dochterbedrijven worden fiscaal behandeld alsof ze één bedrijf zijn) mogelijk maken. Een nieuwe daling richting 24 procent of 20 procent is dan iets voor de volgende regering. Een andere optie zou er niet zijn, aangezien de meeste OESO-landen hun tarief naar omlaag halen. Minister van Pensioen Daniel Bacquelaine (MR) heeft het pensioen op basis van punten vanonder het stof gehaald. Hij wil nog deze bestuursperiode de wettelijke basis leggen voor zo'n systeem, dat vanaf 2025 zou ingaan. De pensioenpunten moeten de band tussen werken en pensioenuitkering versterken. Per gewerkt jaar krijgt een Belg één punt, om tot een maximum van 45 te komen. Die punten worden gevalideerd en omgezet in een uitkering. Wie minder dan 45 jaar werkt, krijgt minder dan het maximumpensioen. Er komen wel uitzonderingen. De zogenoemde gelijkgestelde periodes (waarin niet gewerkt wordt door werkloosheid of ziekte) zouden goed zijn voor een aantal punten. Werken in een zwaar beroep kan dan weer meer dan één punt per jaar opleveren. Daar wringt het schoentje. In het Nationaal Pensioencomité moeten de sociale partners een akkoord bereiken over de omschrijving van 'zwaar beroep'. Dat wordt bijzonder moeilijk. De vakbonden dromen van een zo lang mogelijke lijst, de werkgevers huiveren bij het idee. De vakbonden vinden het dan weer niet kunnen dat de middelen voor de pensioenen van zware beroepen gelimiteerd worden. Wellicht blijft dit dossier geblokkeerd tot het najaar. Dan zitten de sociale partners opnieuw samen. De regering-Michel zette al stappen in de richting van een flexibelere arbeidsmarkt. Veel sectoren kunnen nu glijdende werktijden invoeren of meer overuren maken. Volgens de Nationale Bank zorgt die flexibilisering voor extra banen. Een economische groei van 2 procent is daardoor niet langer een noodzakelijke voorwaarde voor nettojobcreatie. Maar voor de rest stokt de motor van de arbeidsmarkthervormingen. In het regeerakkoord staat dat de band tussen het loon en de anciënniteit bestudeerd moet worden. Het is een van de oorzaken waarom 55-plussers te duur zijn en uit de arbeidsmarkt worden geduwd. Maar over dat dossier is al maanden niets meer te horen. Dat geldt ook voor de herinvoering van de proefperiode. De vakbonden en de werkgeversorganisaties sloten daarover een akkoord, waardoor bedrijven nieuwe werknemers relatief kosteloos zouden kunnen ontslaan in de eerste weken van een vast contract. Maar de achterban verwierp dat voorstel. Het was de bedoeling om in de Groep van Tien nog voor de zomervakantie een nieuw akkoord te bereiken, maar dat is niet gelukt. De regering kan nog altijd beslissen het akkoord zelf uit te voeren. Vraag is of alle partijen daarvoor gewonnen zijn. Zeker CD&V kan op de rem staan. Misschien komt er in het najaar een nieuwe kans. Dan moeten in de Nationale Arbeidsraad (NAR) nog andere akkoorden worden gesloten, onder andere over de aanpak van burn-outs. De werkgevers willen afstappen van het principe dat een burn-out de verantwoordelijkheid is van de werkgever die te weinig inzet op een modern personeelsbeleid. Daarnaast moet gesproken worden over de uitlopers van de gelijkschakeling van het statuut van de arbeiders en dat van de bedienden, zoals de hervorming van de paritaire comités en het opheffen van de verschillen in de vakantiestelsels.