Enkele maanden geleden besliste ik goede doelen te steunen. Want mijn inkomen bleef constant en mijn uitgaven daalden zienderogen. Dat leek mij niet rechtvaardig in deze moeilijke tijden. Zulke giften bleken nog fiscaal aftrekbaar ook. Sindsdien word ik zowat tweewekelijks lastiggevallen met dikke omslagen in de post. De inhoud? Boodschappentassen, kalenders, blocnotes, post-its, pennen, nog eens andere pennen, een paar kinderhandschoenen, weer een tas, weer andere pennen. Ik begrijp dat de sukkelaars en de achtergestelde kindjes mij dankbaar zijn, maar dat is zelden de centrale boodschap. Ik krijg wel een gepersonaliseerd verhaal over het slachtoffertje dat ik geholpen zou hebben. Ik geloof daar geen jota van: elke bestemmeling krijgt hetzelfde schattige ontroerende verhaal. Ik steun die organisaties om een klein beetje te bouwen aan een iets betere wereld, maar leugenachtige propaganda verspreiden draagt volgens mij niet bij tot een betere wereld.

Waarom ik dan echt die cadeautjes krijg? Opdat ik meer zou geven. Het nutteloze overschrijvingsformulier is altijd bijgevoegd. Ik begrijp de geldnood, ik begrijp de pregnante behoeften van de slachtoffers van deze en alle voorgaande crisissen. Maar ik begrijp ook waar deze organisaties hun mosterd vandaan halen. En dat vind ik niet leuk. Ze halen die bij made to stick: vertel een gepersonaliseerd verhaal en de rationele weerstand valt weg. Bij mij neemt die juist toe. Dat is dan statistische pech. Maar ik herken er vooral de hand in van de stokoude en eindeloos gerecycleerde theorieën van Robert Cialdini. De ijzeren wet van de wederkerigheid: geef iets en de andere partij zal zich moreel verplicht voelen iets terug te geven. Als jij mij uitnodigt op een diner, weet ik vanaf moment één dat ik jou vroeg of laat moet uitnodigen. Als ik dat niet doe, knaagt het binnenin. Het principe zit nog vreemder in elkaar: je kunt altijd meer terugvragen dan je geeft. Voor de blocnote of de drie pennen word ik er nogal expliciet op gewezen vanaf welke som mijn nieuwe gift fiscaal aftrekbaar is.

Prullaria voor het goede doel.

Toen ik ooit een Cialdini-expert vroeg wat hij deed in zulke gevallen, was hij heel duidelijk: ik houd uiteraard wat men mij opstuurt (soms durft men postzegels of een bankbriefje te sturen) en gooi breed lachend de rest in de vuilnisbak. Opsturen doen zij op eigen risico. Ik heb dat nu enkele maanden geprobeerd, maar Cialdini heeft gelijk. Mijn geweten knaagt. In plaats van blij te zijn dat ik die organisaties heb gesteund en zo heb geprobeerd onze wereld een tikkeltje beter te maken, voelde ik me schuldig, en door mijn schuldgevoel werd de wereld ook weer een tikkeltje minder leuk. Bovendien besefte ik dat ik die stroom Cialdini-geschenken als een eindeloze chantage op gang houd door opnieuw te storten.

Mijn kerstvrede dreigde erdoor verstoord te worden. Ik heb dan maar een besluit genomen. Ik schonk in de voorbije kerstperiode nog één bijdrage. Ik schreef de namen op en gaf ze punten op drie dimensies. Hoezeer hebben ze mij met hun cadeautjes geïrriteerd? Hoe sterk is mijn persoonlijke band met de organisatie? En hoe warm is hun communicatie? Krijg ik minstens een goed gevoel als hun propaganda mij bereikt? Of werken ze liever op schuldgevoel? Moet ik mij echt een slechter mens voelen als ik mijn geld niet aan hen besteed?

Gelukkig was er snel een duidelijke winnaar. Voor de andere pas ik helaas de anti-Cialdini-regel toe: zit er een cadeautje in de omslag? Het wordt van mij. Zonder cadeautje wordt de omslag ongeopend weggegooid. Het verhaal over de opleiding van blindengeleidehonden heeft me echt geraakt. En hun cadeautjes zijn stijlvol en hun communicatie is warm. En de dame die me over hun werk heeft verteld, is een schat. Met die warmte in het hart heb ik een relatief schuldvrij jaareinde gevierd.

Enkele maanden geleden besliste ik goede doelen te steunen. Want mijn inkomen bleef constant en mijn uitgaven daalden zienderogen. Dat leek mij niet rechtvaardig in deze moeilijke tijden. Zulke giften bleken nog fiscaal aftrekbaar ook. Sindsdien word ik zowat tweewekelijks lastiggevallen met dikke omslagen in de post. De inhoud? Boodschappentassen, kalenders, blocnotes, post-its, pennen, nog eens andere pennen, een paar kinderhandschoenen, weer een tas, weer andere pennen. Ik begrijp dat de sukkelaars en de achtergestelde kindjes mij dankbaar zijn, maar dat is zelden de centrale boodschap. Ik krijg wel een gepersonaliseerd verhaal over het slachtoffertje dat ik geholpen zou hebben. Ik geloof daar geen jota van: elke bestemmeling krijgt hetzelfde schattige ontroerende verhaal. Ik steun die organisaties om een klein beetje te bouwen aan een iets betere wereld, maar leugenachtige propaganda verspreiden draagt volgens mij niet bij tot een betere wereld. Waarom ik dan echt die cadeautjes krijg? Opdat ik meer zou geven. Het nutteloze overschrijvingsformulier is altijd bijgevoegd. Ik begrijp de geldnood, ik begrijp de pregnante behoeften van de slachtoffers van deze en alle voorgaande crisissen. Maar ik begrijp ook waar deze organisaties hun mosterd vandaan halen. En dat vind ik niet leuk. Ze halen die bij made to stick: vertel een gepersonaliseerd verhaal en de rationele weerstand valt weg. Bij mij neemt die juist toe. Dat is dan statistische pech. Maar ik herken er vooral de hand in van de stokoude en eindeloos gerecycleerde theorieën van Robert Cialdini. De ijzeren wet van de wederkerigheid: geef iets en de andere partij zal zich moreel verplicht voelen iets terug te geven. Als jij mij uitnodigt op een diner, weet ik vanaf moment één dat ik jou vroeg of laat moet uitnodigen. Als ik dat niet doe, knaagt het binnenin. Het principe zit nog vreemder in elkaar: je kunt altijd meer terugvragen dan je geeft. Voor de blocnote of de drie pennen word ik er nogal expliciet op gewezen vanaf welke som mijn nieuwe gift fiscaal aftrekbaar is. Toen ik ooit een Cialdini-expert vroeg wat hij deed in zulke gevallen, was hij heel duidelijk: ik houd uiteraard wat men mij opstuurt (soms durft men postzegels of een bankbriefje te sturen) en gooi breed lachend de rest in de vuilnisbak. Opsturen doen zij op eigen risico. Ik heb dat nu enkele maanden geprobeerd, maar Cialdini heeft gelijk. Mijn geweten knaagt. In plaats van blij te zijn dat ik die organisaties heb gesteund en zo heb geprobeerd onze wereld een tikkeltje beter te maken, voelde ik me schuldig, en door mijn schuldgevoel werd de wereld ook weer een tikkeltje minder leuk. Bovendien besefte ik dat ik die stroom Cialdini-geschenken als een eindeloze chantage op gang houd door opnieuw te storten. Mijn kerstvrede dreigde erdoor verstoord te worden. Ik heb dan maar een besluit genomen. Ik schonk in de voorbije kerstperiode nog één bijdrage. Ik schreef de namen op en gaf ze punten op drie dimensies. Hoezeer hebben ze mij met hun cadeautjes geïrriteerd? Hoe sterk is mijn persoonlijke band met de organisatie? En hoe warm is hun communicatie? Krijg ik minstens een goed gevoel als hun propaganda mij bereikt? Of werken ze liever op schuldgevoel? Moet ik mij echt een slechter mens voelen als ik mijn geld niet aan hen besteed? Gelukkig was er snel een duidelijke winnaar. Voor de andere pas ik helaas de anti-Cialdini-regel toe: zit er een cadeautje in de omslag? Het wordt van mij. Zonder cadeautje wordt de omslag ongeopend weggegooid. Het verhaal over de opleiding van blindengeleidehonden heeft me echt geraakt. En hun cadeautjes zijn stijlvol en hun communicatie is warm. En de dame die me over hun werk heeft verteld, is een schat. Met die warmte in het hart heb ik een relatief schuldvrij jaareinde gevierd.